Toffeehakkend de zomer.

Charles is niet weg te denken uit het catalaanse dorpje Perle. Hij hoort bij de familie Perle. De levendigste zomermaanden verschijnt Charles met zijn Porsche. Eerst rijdt hij een rondje over het plein voor hij steevast foutparkeert tussen de terrasstoelen: Yo soc Charles. Niemand die zich daar openlijk over beklaagt, al zeggen ogen soms meer. Met zijn naar buiten gekeerde voeten  -eerste positie – stapt hij met veel gewurm uit zijn Porsche en toffeehakkend naar het overvolle terras, waar de zomerfamilie hem inhaalt als een vermist persoon. In Amerika zou hij niet opvallen, hier wel. Een man van honderdvijftig kilo die in een Porsche Cayman met spoiler rondrijdt en de afstand tussen de auto en de toog zonder al teveel hijgen toffeehakt, is als uit een film. 

Porsche Charles Chaplin is niet getrouwd, geen vriendin, maar hij rijdt en kletst heel veel. Onder het nuttigen van weer een broodje Iberico, ham van het zwarte varken, praat hij tussen het kauwen door: hij eet omdat hij géén honger heeft, uit gezelligheid, uit hoffelijkheid neemt hij veel in, eten is nuttig werk: A La Grande Bouffe. Clientèle is zijn beroep. In elke bar die in de omgeving te vinden is, buffelt hij zijn vakantie door. Rond en glad. De kogelronde Charles, koopt versnaperende aandacht. Hij nuttigt, drinkt en praat, roddelt als een stedelijke weldoener voor de dorpse middenstand. Van café naar café toffeehakt hij en zal er geen gram door afvallen. Ik zie hem elke week groeien: dijt, hamstervet zijn wangen uit. 

Een keer heeft Charles met zijn kleine punaise oogjes in vetwattig hoofdigheid mij gegroet; lippen als een mondstuk van een ballon, sprak hij de plechtige woorden: ‘Weet je wel wie ik ben?’

Ik schrok?

Nee, alleen dat u in een Porsche Cayman rijdt.

Het eten wat hij niet heeft doorgeslikt, dat ergens achter zijn wangen verstopt zit, zegt hij, met een aller akeligst arbeideristisch spaans:

Ik had een worstenfabriek, die heb ik, gelukkig net op tijd voor de crisis verkocht, en, …nu verzamel ik kunst. Ik heb wel tientallen schilderijen. Ik houd van schoonheid. De politieke waarheid kan me gestolen worden.’

In zijn wijd open ogen zag ik een diep logenstraffen. Hij sloot ze weer als nietjes. Het antwoord kende ik al, maar ik vroeg het toch.

Van wie zoal?

Oriol, …ik heb wel tientallen Oriols. Oriol de kunstenaar van hier, …kent u die?

Onderwijl hij toch zijn hap heeft doorgeslikt, bevestigd dat ik Oriol ken, is Charles weer met herkauwen begonnen. Kijk nu eens het is zijn werk! Onderwijl dwaalt mijn aandacht naar zijn pumps, van goudkleurige stof, losse veters. Charles verveelt zich snel. Omdat ik het gesprek niet vlot trek, begint hij opgetogen met iemand, die zonet is binnengekomen en hem hartelijk begroet heeft, te keuvelen. Zijn rug als een kast. In een broekspijp kan ik wonen. Ik zweet en buiten op het terras wordt het drukker.

Cake, een broodje zus of zo, coca cola, een ijsje en dan toffeehakt Charles terug naar zijn aerodynamisch gebouwde Porsche. Windspoiler opengeklapt, pruttelt en bromt hij een rondje het plein; toeterend naar het volgende establishment, naar de hoefijzerbaai en daarna een volgend dorp Cadaques.

Volgend jaar een Maserati? Iets ruimer…?