Ik was 6

Ik word plotseling herinnerd aan een bizarre gebeurtenis. Onverwachts kwetsend en ik vraag me af waarom? Omdat er niets anders is dat mij kan afleiden? Het is een misselijkmakende herinnering die ik niet kan verdringen. Ik was een jaar of zes.

Moeder verlaat plotseling de tafel en rent naar boven. Ik hoor het luik van zolder met een klap openslaan. Daar kwam toch nooit iemand? Ik hoor haar kruipend over de halfvergane planken gaan en zie hoe spinnenwebben aan haar gezicht trekken. In haar haar krioelen allerlei beestjes. Oud spinsels en draden trekken aan haar wimpers. Ik zie haar knieafdrukken in een dikke laag stof. In een foetushouding kan ik haar, tussen de twee dakvlakken vol nesten, bijna niet zien. Haar mond zit vol stof, blijf ze van zich afbijten: Ik ga niet meer naar beneden. Nooit zal ik deze plek verlaten.

De angst kent geen enkele logica, hij kan haar vermoorden. Ze lijkt bevroren. Dat had ze beneden nog gezegd. Vlak voor ze opstond. Hij vermoordt mij. Haar gelaat was zo bleek als oud porselein. Haar oren paars en het hoofd trilde. Huilen kon ze nog niet. En nu is het muisstil in huis.

Niemand, alleen ik kan weten waar ze is. Zo wil ze het ook. Liefst zegt ze dat ze wil sterven, in een plas urine en in haar eigen poep, uit angst.

Als hij mij maar niet met zijn politiesabel tussen mijn ribben prikt.

Ik hoor haar gejammer, hij wil mij dood hebben. Dat had ze ook in het café gezegd voor ze die was uitgerend. Niemand die haar verward verhaal over de veldpolitie kon volgde. Ze komt toch wel terug had de uitbater gezegd. Nu ligt ze te verstoffen en slaapt ze. Ik hoor haar niet meer. Huilen doet ze al heel lang niet meer. Al die tijd heeft het geregend, maar zal haar niet zijn opgevallen. Als de pijn van haar oren is geweken, doet ze haar ogen open. Ze moet het zonlicht gezien hebben, dat door de dakpannen heen straalde. Trillend. Uitgeput kan ze zich niet herinneren of ze haar ogen eerder geopend had.  Er is plotseling iets veranderd in haar hoofd waardoor ze zich bewust is waar ze is. Koud heeft ze het ook niet. De regen is warm en toen de zon bleef schijnen besloot ze uit haar catatonische gevangenschap op te staan. Ze stinkt ontzettend als ze zich voorzichtig door het zolderluik laat zakken en bezeert. Niemand heeft het geweten, behalve ik. Ineens staat moeder in de keuken, veegt het verspinnen haar van haar gezicht en ziet dat ze bloed aan haar hand heeft. Ze gaat zonder iets te zeggen zitten. Het is zo stil in de keuken dat ik het huis uitloop.

In mijn moestuintje ben ik op mijn hurken gaan zitten en met een stokje plet ik slakken en wormen dood of aan stukjes. Niemand heeft mij ooit in moestuintje gezien, zelfs moeder niet. Het kwam vaker voor dat ze een dag wegbleef. Maar ik had nooit geweten dat ze zich al die tijd op zolder kon verstoppen. Haar gezicht was als een grijze dweil. De dagen erna waren gewoon weer zoals andere dagen. Ze deed de was, kookte eten en zei geen woord. Naar de kroeg ging ze niet. Ze dronk thuis. Misschien had ze ruzie met de rijksveldwachter, die een lange zilverachtige sabel droeg? Moeder kon zomaar verschrikkelijk gaan gillen, uit het niets en kon ik tussen haar gesis en schelden, nog net horen dat hij…, haar echt wil doodsteken.

Dat ijselijke gegil van haar is mij bijgebleven. Geen film, toneelstuk of wat dan ook, kan haar kwellend gegil uitdrukken. Ook ben ik het in geen enkel mythologisch verhaal tegengekomen. Tot ik op een nacht, in het catalaanse dorpje Perle, haar gil meende te horen. Een ijzerschreeuw, noem ik het, maar eigenlijk nog erger dan toen.