De mens is een neuromachine

De lucht is watergrijs. Buiten is het bladstil. Alles lijkt tweedimensionaal. Vader vloekt en bijt op zijn onderlip.

Kutsynapsen klooien in mijn kop maar wat aan, terwijl ik niets te vertellen heb. Op het verkeerde moment en de verkeerde plek vermeerderen zij zich. Wat houd ik er aan over dan achter de feiten aanlopend ik niet weet hoe ik het kan stoppen.

Met zijn tanden probeerde hij een stukje van de binnenkant van zijn lip af te bijten. Hij was ooit eens in therapie geweest om van het lipbijten af te komen. Cheilofagische neigingen waren een reactie op zijn woede dat hij de tik niet de baas kon. Maanden liep hij met een gebitsbescherming. Nu keek hij naar een willekeurig object.

De hele dag worden er in mijn hoofd neurale verbindingen aan of afgesloten, dendrieten vermeerderen zich als vlooien die de weg kwijt zijn en dan moet ik er ook nog eens zien achter te komen wie ik ben? Aanpassingen? Ho…, maar, laatst droomde ik van een enorme rode gloed die de hemel kleurde en stormde er een man binnen die zei dat hij Christus was. Als ik droom is het helemaal een vlooiencircus. Kut neuronen.

Hij keek geïrriteerd en zei dat hij helemaal niet egocentrisch was. Vooral omdat hij elke dag zijn hoofd als onderwerp nam. Het brein? Kun je wel je brein zijn als je er niets van afweet? Hij haalde diep adem door zijn neus. Een reeks van synapsen die stonden te popelen om geregeld zijn neus op te halen. Zelf had hij het niet in de gaten. Ik heb hem wel eens op televisie zijn neus zien ophalen op een moment dat hem een domme vraag werd gesteld. Neusvleugels wijd open.

Nee, had hij gezegd, ik weet niet dat ik toen en toen mijn neus heb opgehaald. Mijn neus weet meer van mijn neus dan ik ooit te weten kan komen waarom mijn neus een neus is. Net als mijn aftakelende ouderdom: ik weet er niets van af.

Hij haalde zijn schouders op. Automatisch. Na een paar seconden stilte zei hij zonder zijn neus op te halen, dat de wereld hersenloos vol hersens zit. Nu sloeg hij nurks zijn armen over elkaar. Hij fronste zijn wenkbrauwen en als hij fit genoeg was geweest had hij door de kamer geijsbeerd. Daarom keek hij peinzend naar de verlepte bloemen in de potten achter vuil vensterglas. Vader was niet geïnteresseerd in andermans mening en al helemaal niet in zijn eigen mening: ik heb geen zelfbeeld om te weten wie ik ben, zei hij en dronk zijn glas wijn leeg.

Wiens aandacht moet ik nu trekken? Mijn boek lezen ze niet en de uitgeverijen doen geen reet om mijn boek De Naakte Nietzsche te promoten. Als AOW-gerechtigde breinfrommelaar, schrijver van een boek, dat ook nog eens geschreven is na zijn zeventigste, keek hij mij aan en met in zijn hoeken van zijn mond de resten van Sant-Emelion 2015 een 4e Premier Cru  -eerlijk gezegd was ik de naam van de wijn vergeten, maar ik heb het later opgezocht, zei hij met tranen in zijn ogen dat de wereld door internet naar de kloten gaat.

Ik schrok. Keek nog eens goed. Hij slikte. Ik hoorde hoe de post in de brievenbus terecht kwam. Plof. Ik keek vader nog eens aan. Hij glimlachte en besloot voor altijd zijn mond te houden. De stilte in de kamer was ook zo iets. Het was zo stil dat ik ver weg nog zijn stem kon horen die langzaam wegstierf in een dun opgevouwen zakdoek die hij nog voor zijn mond had gehouden. Het was tijd om in actie te komen.   

Copyright ©2019 Robert Kruzdlo