PERLE CATALANAS

Uit het boek Perle Robert Kruzdlo:

Ik besluit voor één avond in El Port een pension te zoeken. Jaren geleden heb ik hier een aantal nachten doorgebracht. Tina van Hostel Tina herkent mij meteen. Ze lijkt op grootmoeder. Een stevige vrouw, bol egelvisgezicht, op versleten sloffen komt ze aangelopen. Ze lacht en noteert mijn naam. Met haar kromme worstenvingers reikt ze een loper van mijn hotelkamer aan. Haar vlezige lippen zijn zwaar met lipstick aangezet, zegt ze met een zucht, dat de deur van de kamer klemt en of ik rekening wil houden met het bruine water dat uit de kraan komt. Niet drinken, na een tijdje verdwijnt het brakwater. Ik knik. Ze reikt een Roxasect-spuitbus aan voor de muggen.

‘U was hier jaren geleden al eens?’ vraagt ze zonder mij aan te kijken.

Ik knik weer. Ze ziet het niet. Op haar wangen verschijnen rode vlekken.

‘Zet de fiets maar op de kamer, geen probleem. De kamer blijft voor jouw goedkoop, je mag hem hebben voor dezelfde prijs als toen. Ik herinner mij vooral hoe je met Espanto, je weet wel de man die met niemand sprak…’

Plotseling houdt ze haar hand voor haar mond. Ze kijkt langs mij naar buiten als ik haar in het Catalaans bedank. Moltes gràcies. Tina slikt en met haar hand wuift ze koelte toe.

‘We krijgen een hete zomer, reken daarop, erg warm zal het ook worden. De bladeren van de platanen zullen weer als filigrein vallen, ritselend door de straatjes rollen alsof het herfst is, en de regen zal weer warm naar beneden komen. Je zal zweten, reken daar maar weer op. Veel muggen…’

Ze kijkt toe hoe ik de bagage en mijn fiets oppak.

‘Heet, de maanden juli en augustus, de zwaluwen zullen in hun nesten blijven. Geen vogel, geen zwaluw of tjiftjaf die overdag zingt.’

Dan kijkt ze mij vragend aan.

‘Waarom zo’n fiets en niet een met versnelling waarmee je kunt schakelen… een racefiets?

‘Uit China, een nep-Batavis herenfiets.’

Ik loop de krakende trap op en duw hard tegen de deur van mijn hotelkamer, die niet open wil gaan. Een zetje met mijn voet helpt. De donkere kamer ruikt mottig, naar steen- en houtvocht. De vloer kraakt herkenbaar. Meteen schuif ik de gordijnen opzij en open met een harde knal enthousiast de balkondeur. Het raamglas trilt. Duidelijk, de eerste gast van het seizoen? Dode vliegen en muggen liggen op de vensterbank. Als het felle zonlicht niet meer hindert en een frisse zeelucht naar binnen wipt, stap ik behoedzaam een bouwvallig leisteenbalkon met een doorgeroeste balustrade op en haal diep adem. Mijn hart ontspant zich van blijdschap. Zo gauw ik over de hoefijzerbaai tuur roep ik: Eindelijk, ik ben er!

Betekent dat eindelijk verlost zijn van de kutherrie, de drukte, de stad zonder bergen? Hoe heb je bergen leren kennen?

Een stad zonder bergen, die onder de zeespiegel ligt, kan ik mij herinneren, daar werd ik heel erg verdrietig van. Toen we verhuisden naar de stad heb ik na de verhuizing gehuild en was weken ziek. Nergens een heuvel, een berg, een bos waar ik mij kon verstoppen. Alleen herrie, mensenmassa, drukte, overal op straat die onvriendelijke haast. Een keer ben ik teruggegaan naar het huis in de bergen. Ik huilde toen ik het huis zag en alle dikke bomen herkende; zomen van bossen en in de verte de aangrenzende heuvels vol akkers en wijnvelden. Ik verlang nu nog terug naar die tijd.

Dit is het mooiste stukje kust dat ik ken. De bergen verdrinken in de Middellandse Zee. Het geluid van een zeemeeuw, echoënd in de hoefijzerbaai. Ik kijk fluïde, vervuld van de uitgestrektheid, de wind vertroebelt mijn ogen en er wellen tranen in mij op. Tranen van blijdschap. Ik betrap mij erop dat ik graag een selfie zou willen maken. Een bericht naar mijn ex en bekende wil sturen, dat als een loop die de wereld rond zal gaan. Hoe gelukkig ik nu ben? Nee, ik wil kijken en alleen zijn en alleen in stilte kijken. Kijken zoals kunstenaars doen. Kijken zonder ergens aan te komen. Niets veranderen door te schrijven. En toch doe ik het.

Copyright ©2019 Robert Kruzdlo

Jeugdfoto Tina Pujol Vila