Jan van Riemsdijk Amsterdam

De muren van mijn verzonnen vader


Copyright ©2019 Robert Kruzdlo

… vaders werkkamer waren wit. Het plafond, ook fictie, was hoog en het had afgeronde hoeken. Er stond een lage boekenkast en er hingen kleurige schilderijen precies op een lijn. Als ik aan de bijna abstracte schilderijen terugdenk, word ik vrolijk, evenals over de muziek van Isaac Albéniz die hij vaak draaide op een oude grammofoon. De langspeelplaten waren versleten en maakten tijdens het afspelen een ruis die klonk als een heftige regenbui. In het midden van de werkkamer stond zijn bureau, een soort Mondriaanbureau, met felle kleuren. De vloer glom en rook naar boenwas. Zijn bureaublad waarachter hij met zijn grijze krulhaar en altijd in pak, voorovergebogen over zijn schrijfwerk zat, was iedere dag opgeruimd. Als ik binnenkwam had hij de tijd, maar antwoorden kreeg ik niet. Summier. Kleine losse zinnen, – ik stapte altijd een kamer binnen vol psychologische folteringen. Ik keek tegen een muur op waardoorheen ik weleens een blik had willen werpen. Opgelost wilde worden in het niets. Ik kreeg wat ik zag, weinig minder dan ik al op de gang vermoedde, en nog minder dan als ik de deur van zijn werkkamer achter mij dichttrok. Het enige wat ik doen kon was zijn boeken lezen, want in die boeken van hem kon ik hopen, proberen mijn vader te vinden, hij die zich had verscholen in woorden gedrukt op papier moest daar tussen al die woorden toch wel te vinden zijn. Hij verheugde zich op de komst van de dag dat de woordzieke wereld met stomheid geslagen zou zijn en de dichter voor altijd zijn mond zou houden. Stilte noemde hij dat. Stilte, en de stilte zal groeien als een tuin die je niet met je oren beluisteren kan, zodat al het ongehoorde zich nog kan vormen en in stille schoonheid van je hersens bloeien zal. Als ik aan deze woorden denk hoor ik op de achtergrond het geruis van de vliesdunne klanken van Albinoni’s adagio … zijn zijn woorden nog ijler dan de lucht die zijn mooie gevormde mond verlaat, en wat er dan nog overblijft, mag overblijven, staat geschreven op papier. De stilte waarmee alles begint, in het hoofd te beluisteren viel, is een beleving en voor je het weet – zo had hij eens boos verteld – bedenken de geleerden er een taal voor. Of een stofje.

Zo zat mijn vader vaak voor de hoge ramen van zijn werkkamer en keek hij naar een enorme spar van meer dan honderd jaar in onze tuin. Het gaf een surrealistisch beeld als de maan erdoorheen scheen en hij voor het raam gezeten in het gedimde licht van een leeslamp uren kon lezen, onverzadigbaar, maar altijd ontevreden over de inhoud. Hij beleefde er weinig aan en dan viel er ook weinig te denken. En stel dat er iets te denken viel, dan was er wel weer iets anders te beleven, maar niet voor lang.

Niet lang daarna zal hij zijn gedachten en notities, zijn tientallen keren overgeschreven teksten eindeloos schrappen en doorstrepen en opnieuw beginnen.

Opnieuw buigt hij zich over zijn tekst, die uit de stilte is voortgekomen, steeds weer opnieuw, tot de stilte is teruggekeerd, nergens een protest te vinden is, het denken is afgerond, de vrede in zijn hoofd voor even standvastig overeind blijft en er nergens meer vragen, gedachten, vijanden zijn die dit gevoel kunnen vernietigen. En toch is hij ontevreden.

Een tijdje wachten en dan kon hij weer opnieuw beginnen, naar eer en geweten, en werd hij net zo onzeker als toen hij begonnen was. Alles wat uit de stilte in zijn hoofd tevoorschijn kwam werd ruw verkwanseld aan wat mensen denken noemden.

Copyright ©2019 Robert Kruzdlo