Boek van Sally Rooney is Fysiekliteratuur.

Deuren ingeblikt literatuur

Robert Kruzdlo 8 mei 2019 Boek van Sally Rooney is Fysiekliteratuur.

Vierdagen storm en keer op keer draai ik Adagio for Strings van Samuel Barber. Bloempotten rollen door de nauwe steegjes, zwaluwen blijven op hun nesten, het zand dringt gierend door de naden en kieren van de kozijnen. Met een ‘imploderende ik’ blijf ik in bed. Na Samuel Barber…, Gustav Mahler Death in Venice. Keihard. Onderwijl beukt de wind op de meters dikke muren van het huis. Een dijkdoorbraak zie ik al door mijn biologisch-oog gebeuren. De wind buiten ruikt fris als kikkers die kwaken. Koeien drijven met opgezwollen buiken voorbij. Ik kan niet beschrijven hoe fris de wind ruikt. In de verte, als de wind even gaat liggen, klinkt de tussen hoge rotsen ingeklemd de waterval. Dan swingt de wind weer langs de muren. Ergens slaat een deur hard dicht. Een schreeuw. In een flits denk ik terug aan al die romandeuren van Sally Rooney: ‘…vliegt de deur open. Ze hoort gekraak als hij tegen haar gezicht aan komt. Ze heeft een loopneus. Haar neus loopt echt heel snel.’ Of herinner ik het mij niet meer letterlijk? Ik heb een keer een bloedneus gehad. Een man gaf mij een kopstoot. Wat is het verschil tussen een lopende neus en een bloedneus?

Boek van Sally Rooney is fysiekliteratuur.

Een hond blaft, het geluid dwarrelt als een trein die dichtbij voorbij dendert. Bergen lijken op te schuiven, komen dichterbij het huis, de wolken wollen hoger en hoger. Wolken tuimelen over de randen van de bergen. Boomcactussen glimmen in de regen die minuten geleden gestopt is. Ik sluit het gordijn. De torenklok slaat onregelmatig twaalf uur. De wind ruikt zo fris en ik kan het maar niet beschrijven.

De wind die vroeger over de duin Hoge Hil van Domburg woei, windkracht 12 en een woedende zee bunkers naar de oppervlakte spoelde. Muren van wel twee meter dik beton. Bezittingen van Duitse soldaten uit de Tweede Wereldoorlog die naar buiten waste, dansend in het zeeschuim ten ondergingen tot ze nooit meer terugkwamen. Dingen die toch nog te vinden waren nam ik wel eens mee naar huis en verstopte die onder mijn bed. Ik vond een keer een afscheidsbrief opgerold in een loop van een roestige geweersloop. Maar hier tocht een frisse wind, als bloed in mijn hoofd, zo fris heb ik het nog nooit geroken. Ik ben dronken en sluit mijn ogen. Was ik maar een paard dan rook ik meer dan nu.

Alles komt met vlagen.