Zeg niet dat ik niet gevoelig ben.

Schilderij Robert Kruzdlo 1995 Tobbe en de wet van Archimedes

Geen namen, datum of jaartallen in het dunboekje van een schrijver die zo dun is als een ?

Ik mijmer over zijn dunboekje: Mijn blik dwaalt naar binnen, die staat op oneindig en ik zie in mijn hoofd de herinneringen voorbijtrekken als een film. In het oneindige kijk ik met mijn biologisch oog naar een film. Filmblikken van herinneringen worden opengetrokken. Vreugde en verdriet: a smile and a tear. Uit het rag van mijn herinneringen geregen, komt mijn ziel, gevangen in mijn brein, tevoorschijn. Ik denk nooit wie ik moet zijn, onzichtbaar blijft die ik, nooit zal ik worden dat onzichtbaar verborgen blijft. Wat een poppenkast om te denken dat je iemand kunt worden, terwijl je al iemand bent. Ben gewoon wie je bent.

Er is lust en onlust dat het leven vult. Het leven is narcistisch en ondanks dat, egotistisch genoeg om voor een ander te zorgen. Je wordt pas gelukkig als er door het brein een homeostatische balans gevonden wordt.  

Er kwam een gevoel van onbehagen in mij op toen ik het dunboekje voor de derde keer las, geschreven door een schrijver zonder naam. De schrijver beschrijft zijn naamloze jeugd als een blonde, vrolijk, ondernemende kleuter die, zoals alle kleuters de wereld graag zien als een film. Op het einde van het boekje blijkt het geen leuke film te zijn: door bergen stresshormonen, moet de protagonist voortdurend op zijn hoede zijn en door een innerlijke aangeboren kracht en veerkracht te tonen, creatief met choreografie van beleefdheid, lukt het hem te overleven. Zijn moeder vertelt hem, zittend in de wastobbe, die tot de rand met warm water gevuld is, als hij nog maar net bewust is van zijn omgeving, over het alcoholisme van de buurman, de poppenspeler.

Even later wordt in het dunboekje zijn zusje overreden. (Sic) Aangereden dus. Hij had een voorgevoel. Thuis lopen de spanningen hoog op maar een ruif van liefde redt de situatie:… er was veel liefde bij ons thuis. Een lange rij kleine vogels trekt, in het park van het Rijksmuseum voorbij, er staat een statig hek rond een park. De buurman glazenwasser is weer eens dronken, delirium hoort de kleine jongen zijn moeder zeggen, hij is bang. Troost. Hij bezoekt de loodsen waar paarden in staan? Natuurlijk moet dat paardenboxen zijn. Ik ken de plek waarover hij schrijft: De Hollandsche Manege de oudste rijschool van Nederland, als kunstenaar heb ik daar tientallen tekeningen gemaakt in 1975

Het jongetje van AANGERAAKT trekt aan de jas van vader die zich in de kroeg om de hoek bedrinkt. Toch blijft hij dromen hoe fijn de dingen nog kunnen zijn. Warm en sfeervol. Op een nacht sluipen moeder, zusje en hij het huis uit. Hij heeft al zijn verdriet, pijn in zijn reiskoffertje gestopt. Ze trekken in bij opa en oma. Ruziënd komt vader verhaal halen, het loopt gelukkig met een sisser af.

Het jongetje luistert gesprekken af en ondanks dat hij niet alles kan afluisteren moeten hij en zijn zusje toch overleven. Elke dag houdt hij daarom zijn oren en ogen wijd open. Stiekem bespioneert hij de wereld. Dan wordt op een dag broer en zus gescheiden. Onrust, achterdocht, ze worden van hot naar haar gesleept. Maar toch, feest blijft het want er is schoolmelk en er zijn gymnastieklessen. Toeven…, ja het staat er, toeven van veilige plekken, zijn er nog steeds. Het is wachten of uitstellen van het wachten op… .

In het dunboekje staat heel veel ‘me en mij.’ (In plaats van ik.) Ik bedoel zo lees ik het allemaal, een ander zal er misschien een traan om laten? Hij eet per dag drie keer vla, een tante snijdt de grote Duitse broden boterhammen. Sic. Van grote plakken Duits brood maak je boterhammen en dat wil bleeksnuitje wel. Soms heeft hij een bleekneusje* niet alleen van verdriet en wordt hij gepokt, gemazeld, gemangeld, beschimpt, belasterd, voor schut gezet en zo kan ik nog een tijdje door gaan. Hij trapt op de fiets zo hard hij kan al zijn tranen eruit.

Hop, hij en zijn worden naar het (kinder)internaat gebracht. Hij heeft een engelenstem, zegt de pastoor en een engeltje op zijn schouder zegt moeder. Er wordt gebeden, God aangeroepen en de heilige communie gedaan. Vader blijkt een boef te zijn, hij steelt het horloge van zijn zoon eerste communie. Zus en broer knappen gelukkig weer op. Schoolresultaten zijn slecht, toch voelt hij, de schrijver van dit dunboekje, zich veilig op het internaat: dat komt door de macht van de aarde, schrijft hij op bladzijde 42. Moeder en vader zijn al die tijd vaak de afwezigen. Ja, je gelooft het niet, hij is ineens weer een kleurrijk middelpunt aan de hand van zijn beide grootouders.

Terug op school wordt door een complex aan imago het leven gered door creativiteit: hij schrijft samen met twee klasgenoten een eindtoneelstuk. Klas 6 dus. Als hij zeeman wil worden, moet hij zijn zegeningen weer gaan tellen. Het loopt op niets uit, ook om door de hand van God te worden aangeraakt gebeurt niet. Einde dunboekje. Nergens een datum of jaargetal.

Hortend zijn het allemaal narcistische beschrijvingen, ondanks de ellende van voortdurend op je hoede moeten zijn, schijngevechten leveren, zelfredzaamheid, een klotsende zee op aarde. Wat de macht van de aarde is lees je nergens. Misschien de hardheid en zachtheid ineen?

Ik wil mijn geld terug. Dit boekje kun je niet op deze manier op de markt brengen. Ik voel me als lezer belazerd. Gelukkig, zo schrijft hij op de laatste bladzijde, heeft de ‘me en mij’ veel verzonnen en ik weet zeker dat hij zijn geluk heeft geconsolideerd? Er is een grote ruif aan geluk… .

Omdat ik de schrijver toevallig ken en eigenlijk veel meer van hem weet dan hij ooit in een ander dunboekje kwijt zou kunnen, voeg ik dit nog toe: In al de ellende die hij beschrijft voelde hij zich in hoog eigen persoon op een of ander manier altijd goed. Zo heb ik hem X ook gekend. Of hij zich structureel nu mínder of méér voelde dan een ander, elk tekort of te veel was ego strelend. Ik weet er alles van, ook ik ben een narcist en balanceer tussen de diepe dalen en hoge pieken op een slap koord. Ook ik val niet te pletter op aarde.

Nu kan de schrijver pas echt beginnen te leven, want het leven alleen door een kijkgaatje bekijken is ook niet alles. Mijn tong jeukt om hem dit te vertellen maar ja…, van die zelfgenoegzame ellende kan ik het niet winnen, ook niet met een goed gesprek? Ik ben geen Hamlet.

*Bleekneusje was een term die tussen 1883 en 1970 gebruikt werd voor een kind dat door de gevolgen van armoede, ondervoeding, tuberculose en andere gezondheidsproblemen in een zogenaamde vakantie- of gezondheidskolonie werd gehuisvest om lichamelijk aan te sterken en ook psychische meer op krachten te komen. Wikipedia.

@robertkruzdlo