Bang voor muggen. Catalaanse Catweazle.

Tekening Robert Kruzdlo van Onno Boerwinkel kunstenaar

Hoofstuk uit boek Perle van Robert Kruzdlo.

Javier Casademont da Rose Catalaanse Catweazle.

Wat een beminnelijke man, alhoewel hij er niet uitzag. Hij had wat weg van Catweazle uit de Engelse tv-kinderserie. Een uit de 11e eeuw afkomstige, incapabele, aandoenlijke zonderling die in de 20e eeuw belandt. Niemand sprak met hem. Hij hield afstand van iedereen, tot op het laatste moment 30 augustus 2016. Hij was niet van de snapchatgeneratie, had geen telefoon, keek geen televisie of welk ander elektronisch ding dan ook. Alleen een oude Dualdraaitafel, waarop vooral muziek uit de zestiger jaren werd afspeelde.

Toen ze hem dagen niet meer in de dorpswinkel zagen klopte een van de dorpsbewoners voor het eerst op de voordeur. Die werd niet opengedaan en dus werd de brandweer gebeld, die met een ladder, zich toegang wilde verschaffen tot de woning, via een wc-raampje. Toen dat niet ging via het balkon. Inmiddels stonden er voor zijn huis tientallen mensen. De luiken werden met een koevoet gelicht en er werd een ruit ingeslagen. Ze vonden hem in zijn leesstoel met op zijn schoot het boek De naakte Nietzsche. IJskoud. Een beetje naar een kant geheld, volgens de brandweerman. Hartstilstand, en wat een bende, wat een rotzooi, vies alles onder een dikke laag stof. Het bestond toch niet dat je zo kon leven. Met een deken over zijn hoofd hebben twee brandweermannen hem met stoel en al uit huis gedragen, de ziekenauto in.

Ik leerde hem kennen in 2011. Hij stond in de dorpswinkel, op enkele centimeters voor een blikje zalm, haalde het van de schap, hield het vlak voor zijn bril en zette het terug. Elke dag stond en wandelde hij solitair tussen de schappen op en neer. Ze lieten hem betijen en hoogneuzig leek iedereen hem te mijden. Waarom?

Dat wilde ik weten en dus nam ik mij voor hem op een dag aan te spreken. Ik was wel eens dicht in de buurt geweest en probeerde hem aan te kijken. Hij stonk, zijn haren vlassig, vuile bril, dik als een vergrootglas. Altijd een rotting bij zich, jas aan, ook op warme dagen. Bij een vluchtig oogcontact vermeed hij mijn groet. Hij wilde niet opgaan in een begroeting met het gevolg dat hij mij iedere dag als hij mij zou zien weer moest groeten. Ik moest iets anders verzinnen. Hij zou zich nergens aan moeten bezeren als ik hem kon benaderen. Ik diende net als al die andere dorpsbewoners te verdwijnen en op te gaan in een soort behang. Hij was een type tussenmens. Hij zat in een glazen tabernakel en ik kon hem niet zomaar als een shuttle benaderen. Onschokbaar, en hij zou je bespugen als je iets van hem wilde. Wat wilde ik van hem? Hij wilde natuurlijk zijn onbereikbaarheid bewaren of …, was ik net als hij ook een grensfiguur die opviel? Helemaal bereiken kon misschien niet, maar ik wist intuïtief dat hij niet geheel gesloten was. Ik wist nog niet wanneer ik hem zou aanspreken. Zou die dag er wel komen?

Het boek De naakte Nietzsche dat hij hield vastgeklemd, was geschreven door mijn vader. Vlak voor zijn zelfmoord bij Avanti gepubliceerd. Er waren een paar honderd van verkocht. Vader: Ik zie een muur van onwaarheden, rotte gebeurtenissen, een doolhof van leugens en een corrupte democratie om mij heen, daarom ben ik een eenling zonder achtergrond? Die vrijheid, die muur, beschermt mij. Men kan van mij niets verwachten. Ik lieg terug. Tussen de rotte waarheden, de zoektocht naar een ‘nimmer te realiseren één voor allen, door allen democratie’ is er ook altijd een groep die de dupe van de meerderheid wordt. Er zal altijd onderdrukking en uitsluiting zijn, geweld tegen de singuliere ander, de eenling. Als iedereen gastvrij zou zijn heb je óók een democratie voor iedereen, toch? Maar niemand houdt zich daaraan en dus bestaat democratie niet. Dat schreef vader in De naakte Nietzsche. Contacten met de buitenwereld onderhield mijn vader niet. Hij zoop, kwam in het ziekenhuis terecht en riep om de dood. Ik zie hem nog liggen, paars van hoofd tot aan zijn vingernagels. Zuurstofmasker op en dan, onderwijl de zuster zijn lippen met een nat doekje dept mompelt: ik wil dood en ben een getraumatiseerde klootzak. Hij snakte naar adem. Allerlei piepgeluiden.

Vader stierf, zoals al op de lagere school was vastgesteld: dom! Niet iedereen kon slim zijn. Zijn dom-zijn dat was de wereld ook. Dom en wel, dronk hij tot hij er kierenwiet van werd. Ik ben nog een keer aan zijn sterfbed geweest. De kamer, waar hij dagen roerloos op bed lag, was donker. Toen ik de deur wilde sluiten stond er in de hoek van de kamer een vrouw op, die bij het passeren vluchtig zei: Hij zal weldra, uit zijn lijden geholpen worden. Hoe? Ze was al weg.

Ik hield uren zijn hand vast en probeerde een gesprekje. Na wat aandringen zei hij weer: Ik wil dood. Het leek of hij opknapte.

Ik heb nooit geweten hoe ze hem hebben laten inslapen. Maar ook ik zoek nog een thuis.

@robertkruzdlo