Vrouwen: mannen hebben een achterstand

Barcelonines begrijpen waarom mannen zo achterblijven.

Vóór mij aan een ronde tafel zaten, luchtig gekleed in vaalgrijze wegwerpkleren, een zestal voetbaldames. Nee, voetbalvrouwen met zonverbrande neuzen. Buiten was het 38 graden. En toch woei er een koel briesje door het café dat op de hoek van de straat aan het schaduwrijk plein lag. Ik houd van schaduw, door oude platanen links en rechts op aarde geworpen met in het midden een spaans mos-fontein. Geen naaldje zonlicht kon zich door het bladerdak een weg banen en je kunt er bij kaarslicht een boek lezen, zo schemerachtig is het bij het vallen van de avond.

De vrouwen uit Barcelona keken nogal somber, kromme rug, uitgezakt maar eendrachtig als team loken zij allemaal naar het televisiescherm waarop het Spaanse vrouwenvoetbalelftal tegen Amerika speelde. De een beet op haar nagels, de ander krabbend aan haar ellebogen, pulkend aan bierviltjes en naarmate de wedstrijd verstreek, werden café stoelen knarsend verschoven, om aan elkaar te kunnen frunniken. Een stopte haar hand onder een T-shirt van een ander en streelde diens vochtige huid. Het opgedroogde zweet onder de armen was wit uitgeslagen. Een ander begon de schouders te masseren van haar buurvrouw. Een stel vond troost door te tongzoenen. Ieder had zo zijn aai-neigingen en waarvan de aaibaarheidsfactor steeds groter werd toen bleek dat de het vrouwenvoetbalelftal van Spanje de wedstrijd definitief verloren had. Als krolse poezen moesten zij zich definitief bij de uitslag neerleggen.

Toen ze opstonden en de te nauw zittende korte broeken uit de plooien van hun vrouwelijk geslacht moesten trekken – door de benen te buigen en de knieën naar buiten te draaien – liepen ze zonder mij, op of om te kijken, met opgetrokken wenkbrauwen sjorrend en trekkend het schaduwrijke plein op. Ik hoorde een van hen in het Catalaans zeggen dat het Barcelona vrouwenvoetbalelftal beter zou hebben gepresenteerd dan het nationaal dameselftal. Ik wilde nog zeggen dat… , maar niemand leek mijn uitgestoken hand te hebben begrepen. Armoe troef.

Rond de tafel dampte alles een beetje na. Het kalmerende hormoon oxytocine, net als een leeglopende meisjesschoolklas, kon je ruiken. Een berg afval van zwarte zonnebloempitten, plastic zakjes waarin chips had gezeten, verpulverde biervilten, papieren servetten waarvan een soort pingpongballen waren gemaakt, morsvlekken, suikerstrepen en citroenschillen maakte van het geheel een soort funk-art en dit alles had ook een bepaalde schoonheid. Het rook niet prettig toen ze allang in de schaduw verdwenen waren, ze hadden gewoon schijt aan alles en misschien konden ze best met binnen- of buitenkantvoet een voetbal trappen, het rook niet naar vers gras. Allemaal genetisch, zei mijn buurman die net was aangeschoven met een vol glas ratafia champagne.

Als enige man die het tafereel had gadegeslagen – behalve dan een andere jongeman die misschien de trainer was van de vrouwenvoetbalsters en al die tijd erbij zat alsof hij niets anders dan het televisietoestel gezien had – vielen mij, uit mijn jeugd nogal wat herinneringen te binnen. Ik wilde spontaan tegen hem zeggen dat als je door vrouwen bent grootgebracht, zoals ik, begrijp waarom mannen zo achterblijven? Mannen hebben namelijk net dat extra wat voetballende vrouwen niet hebben.  

Hoe zou het geweest zijn als het hele elftal aan Barcelonettes daar gezeten had? Twaalftinten grijs? Ik had gewoon geknikt, waarmee ik wil zeggen, dat ik het allemaal begrepen had als Nina Simone: Feeling Good.     

@robert kruzdlo