Het Kruis van Damocles

Het Kruis van Damocles

De hel op aarde, het laatste optimisme van een kunstenaar. In kromme proza, ongrammaticale zinnen, vernietigen wij de natuur.  

Spanje 2019. De restauranteigenaar hangt met een arm over de bar en is verdiept in een gesprek. Ik wacht tot hij mij ziet. Zijn ogen kijken mij eerst doelloos aan en omdat ik daar iets aan wil doen blijf ik hem aankijken. De secondewijzer heeft bijna zijn rondje gemaakt. De klok hangt scheef.

‘O, … o god, u bent het.’

‘Ja, van de tekeningen’, zeg ik hoopvol.

Ik steek mijn hand uit en voel meteen de dikke, groffe en vieze hand hard knijpen. Ik knijp terug. Zijn dorre hand ruikt naar houtskool. Nu hij van zijn kruk is opgestaan en vanachter de bar op mij komt toelopen bewegen zijn lippen voor hij iets kan zeggen.

‘Kan ik nog eten en is het houtskoolvuur nog aan.’

Hij kijkt niet meer maar zoekt met zijn ogen millimeter voor millimeter mijn gelaat af. Een glimlach.

‘Ja u bent het. Natuurlijk ga zitten, gelukkig de houtskool gloeit nog.

‘Worst.’

‘Worst, ja natuurlijk.’

Ik loop met hem mee naar een nis in de hoek van het ruime restaurant, waar een dikke boomstronk nog na zit te gloeien. Hij slaat er met een ijzeren pook op. De vonken vliegen in het rond. In het donker vallen de smeulende kooltjes op de grond waarover hij loopt. Ik ga aan de ronde tafel midden in het restaurant zitten. Naast mij zitten drie tevreden mensen na te tafelen. Rokend en kletsend. Sigarettenpeuken liggen op het bord tussen afgekloofde kippenpoten. Een grote plafondventilator tolt boven mijn hoofd.

De tekeningen die ik aan de eigenaar van het restaurant Pi cadeau heb gegeven hangen schots & scheef aan de muur. Hij schenkt een koel glas eigengemaakte rode wijn in; met de pitjes van de druif er nog in. Door een corpulente Zuid-Amerikaanse wordt de tafel gedekt. Verschillend bestek. Olijven, brood met tomaat en knoflook. Het bezweten hoofd van Pi komt uit de schaduw van zijn houtskoolnis. Ik zie dat hij met een haarföhn de kooltjes aanjaagt. In afwachting van het eten tuur ik door een groot raam naar buiten. De zon verbleekt het plein. Een warme bries ritselt tussen de herfstachtige plataanbladeren. Een kokende blauwe hemel, zo helder als glas dat opaal smelt. Als deze zin niet kan is het toch een mooie zin die meer vertelt dan een zin als: op het plein komt voorlopig niemand. De wind schroeit ook in de nis van Pi. Ik hoor het vlees sissen.

Als er geen huisdieren waren, waren de gletsjers niet zo snel gesmolten, zeiden mijn neuronen in mijn hoofd.

Ik kijk naar de tekeningen. Jaren geleden was ik hier gestrand en al tekenend, het plein vanaf Pi’s terras, vroeg Pi of ze te koop waren.

‘Ruilen voor een worst op de barbecue’, zei ik. Pi had zijn hand op mijn schouders gelegd. Dat voelde goed. Door een hand op mijn schouder begon mijn carrière als kunstenaar. Meer dan vijftig jaar geleden.

Ik ging graag tekenen in de haven van Amsterdam. Overigens was ik altijd alleen en zag nooit een ander tekenen. Schepen aan de kaai, platschuiten, zeilboten en kleine slepers. Ik tekende boeg en achtersteven van schepen snel in een goed perspectief. Schepen op het water in allerlei richtingen, in kikvorsperspectief, ik had er geen moeite mee. Voor mij niet uitzonderlijk omdat ik mij niet hoefde te meten met welk andere tekenaar dan ook: tekenen was voor mij een natuurlijke gewone zaak. Dat dit bijzonder was wist ik toen niet. Tekenen deed ik in een soort trance. Ik wist niet eens wat mijn hand deed dan wat ik zag op papier. Mijn hoofd was heer en meester en niet de filosoof. Ik hoefde niet te weten, deed gewoon wat ik fijn vond en ik liet mijn tekeningen aan niemand zien. Als ik thuiskwam – we woonden in een woonwagen die op een plein stond in de stad – kon ik maar beter niet zeggen waar ik vandaan kwam want in de haven was het nooit pluis en van tekeningen hield de familie niet. Ja of het moest een Toorop zijn.

Vreselijke kunst vond ik. Symbolistische tekenaar. Hoofden, neuzen als messen, strak en om er een nachtmerrie van te krijgen, keek ik niet graag naar de enorme kopie van Toorop die aan de woonwagenwand hing. 

Het was op een mooie maar saaie zonnige dag dat ik op de kade gezeten met mijn voeten vlak boven het zwarte water bengelend, ik nog maar net met zwierige lijnen een aantal slepers met enorme pluimen zwarte rook uit hun schoorstenen getekend had; die een kustvaarder afmeerde aan de kade, toen er zachtjes een hand op mijn schouders werd gelegd. Het voelde of ik met geweld werd bevestigd: ik was ineens niet meer alleen. Een mannenstem zei: Weet je dat er een school is waar je tekenen kunt leren? Een akademie voor kunstenaars? Als je wordt toegelaten word je misschien een hele goede kunstenaar. Natuurlijk wist ik dat niet. Thuis ook niet. Toen ik voor het eerst mijn tekeningen liet zien met de woorden: Ik ga naar de akademie, keken ze mij aan of ik gek was geworden.

‘Je bent toch geen Jan van Eyck’, zei overgrootmoeder. Haar gezicht was niet anders als wat achter glas aan de muur hing: Toorop.

‘Esser, als je kunt tekenen als Esser, dan ja… Maar deze tekeningen die ik nu zie, dat zijn scholierentekeningen.’ Ik kon gaan.

Toen ik van de kade opstond keek ik in een zacht gezicht. Hij keek geduldig met een glimlach naar mijn tekeningen. Zijn ogen glinsterden. Het water glinsterde ook. Alles leek te fonkelen en omdat het niet genoeg was zei de man: Jij komt er wel.

Pi zet het eten voor mij neer. Een bakje slakken, meloen met ham en de op houtskool geroosterde worst. Genoeg om de aarde op te warmen. Een klodder dikke knoflook-mayonaise, Aioli, en water. Naast mij werd er nog steeds druk gepraat en gerookt. Bij ieder nieuwe zin die werd uitgesproken klom er een dikke wolk rook uit hun monden. Zonder de gedachte hoe ik de wereld kon redden begon ik te eten.

Toen ik de Rijksakademie verliet, had ik het gevoel dat ik mijn ziel had verloren: ik had tekenen geleerd. Mijn tekenziel was verschrompeld tot een prop papier. Het was verstand geworden. Mijn hand had verstand van tekenen gekregen. Een goede tekenhand hield ik ervan over. Ook was mijn tekentrance verdwenen, daarvoor was het kijken zien geworden en was ik in een soort Rembrandtiek terecht gekomen. Ik voelde de hand op mijn schouders als een atlas van bezorgdheid: wat nu? Ja natuurlijk was ik meteen aangenomen op de akademie, viel ik in de prijzen en kreeg na mijn studie een atelier waar ik mijn tekenkunsten in relatieve eenzaamheid kon perfectioneren: elke week kwam een professor van de akademie voorbij om mijn werk te beoordelen. Ik maakte vorderingen en toch liep alles achteruit, werd depressief en begon met drinken; heroïne en het liefst elk weekend een ander meisje, soms niet ouder dan zeventienjaar. Ouders kochten dan later een naakttekening van hun dochter. Alles was mogelijk, als ik maar zei dat ik de akademie had gedaan. Ook weer zo’n zin. De man van de schouderklop was rector op de akademie. Zijn naam ben ik vergeten.

Inmiddels heb ik de slakken op en ben halverwege de worst.

Toen ik de akademie verliet bedankte ik de rector met de woorden dat ik allang kon tekenen voor ik begon aan de akademie en dat de tijd op de akademie mij misschien bevrijd heeft van grootmoeders afwijzende blik; ijskoud en vol onbegrip over mijn talent. Mijn moeder zag ik bijna nooit. Die doet in dit verhaal niet mee. Ik vervolgde: nu ik dat diploma heb, zonder centen op straat sta, niet eens weet waarom iemand zo nodig moet tekenen, kunstenaarschap mij op de schouders is gelegd, ik dit allemaal als een straf zie.

‘Je komt er wel,’ zei hij met dezelfde glimlach en fonkeling in zijn ogen, als toen. Ik twijfelde of ik moest zeggen dat ik boos was, boos op mijn talent en boos op de wereld die toch naar de klote ging. Net als schrijven. Ik ben er soms doodziek van. Maar toch. Met die architectonische breinaanleg heb je gewoon niet te kiezen. En dus zit ik hier, na mijn diner, fles wijn leeg, hier naar mijn tekeningen te kijken.

Om de wereld te redden moet je voor een groot gedeelte heel veel talent uit de mensen snijden.

De rokers zijn inmiddels verdwenen. Het stinkt. Alles stonk. Misschien stinkt buiten de brandende zon naar lava? Tot ik plotseling word opgetild, zomaar van mijn stoel, ik zweefde even. Vrolijk werd ik ervan. Terug op aarde kijk ik nog eens goed naar een tekening, een portret van Pi, de houtskool man, de in de zinderende hitte van de nis verstopt elke dag het vlees staat te rosteren. Zijn ogen in een krater van een vulkaan. Hier in dit dorp verstopt in de Pyreneeën, aan een kokend plein met verbranden platanen en enkele huizen als broodroosters. De aarde stinkt naar verbrand stof, de cactussen hangen als slappen schoenzolen aan de bijna honderd jaar oude stam. Verschrompeld als een mummie. Hun vruchten zijn op de grond gevallen en de bramen zijn niet groter dan een knop van een speld; geen zwaluwen meer in de lucht, dode vliegen op de vensterbank, ik ben er klaar voor. Het gras onder mijn voeten breekt als glas. Ja ik zie het goed. Elk blad van de plataan valt als glas, of als een dun plakje hout, ritselend over straat schuifelt het tussen de terrasstoelen. Ik hoor de hitte, Pi zijn blik, de klok, de tijd om op te stappen. Onderwijl kijk ik nog steeds naar mijn tekening.

‘Waar kijk je naar, zegt Pi als hij met het wisselgeld terugkomt.

‘Ik zie ineens weer alles terugkomen,’

Pi begrijpt mij niet.

‘Ik zie, kijk in mijn hoofd,’ probeer ik.

Pi neemt een ratafia.

Onveranderd is alles gebleven, ook al veranderen dingen, onveranderd zal de wereld naar de kloten gaan, wat zeker het geval is en omdat er geen redding mogelijk is, heeft altijd de zon om de aarde stil gestaan; is de natuur doodmoe al blijft de tijd doortikken, de wijzers rondje naar rondje in cijfers schuilen, blijft de tijd cyclisch stilstaan, en omdat de aangegeven hand die ooit op mijn schouders drukte er nooit is geweest, ziet mijn brein dezelfde lijnen, welke richting die dan ook opgaan, terug en naar voren, vroeger en nu. Ja dat zag ik.  

Foto Robert Kruzdlo @rkruzdlo