Wat ik ben?

Walt Whitman

…Het beoefenen van een Kunst is een uitnodiging tot leven van volkomen zelfverloochening…

Erik Satie

De boekwinkel Gulf of Maine stonk. Bezoekers roken naar afgedragen kleren, grijs, rafelig en de meeste mannen hadden baarden, haren tot hun schouders; vettig, glinsterend door de roos; een groezelige winkel, molt in het verstoft tapijt, nooit werd gestofzuigd, of soms, een keer in het jaar als het moest; in de hoeken hoopte het vuil op en overal lag geplet kauwgum. Aan de deur hing een bordje: Honden zijn welkom. De vrouwen zagen er niet anders uit; met hun gekamd haar, golvend en aan het einde pluizig, tot tussen hun schouderbladen en zo smerig kleurloos; de nicotine kon ik ruiken; haar zo bleek als papier en als er toch iemand was die enig haarkleur had, dan was hij of zij dik, met een uitpuilende buik waaronder nog net de knieën te zien waren. Een man in de hoek, zijn baard op zijn borst en in de hoeken van zijn mond resten van eten, sigarettenrook, speeksel of iets dergelijks: ik kon het niet ontcijferen, las een gedichtenbundel van plaatselijke dichters. Een volumineuze vrouw die op een tweezits stoel had plaats genomen, haar smerige bril had opgezet, keek voorovergebogen naar Don’t Hide The Madness van William S. Burroughs.

Boekwinkel Gulf of Maine was een houten gebouw zoals alle gebouwen bijna in de mainstreet; schappen vol boeken die eruitzagen of ze niet te koop waren; vuil van vingertips, een laag stof, vergeelde boekruggen en op een tafel voor de kassa lagen de nieuwe aanwinsten, onder verse stof dat van de straat kwam. Achter de kassa stond een mevrouw met de langste, stroachtige haren, koppig en niet van plan vriendelijk goedendag te zeggen alhoewel ik dat wel deed, achter een computer uit 1999. Beth heette ze en haar man; twee baarden onder zijn kin, tot onder zijn stropdas; Garry, kale kop met achter zijn schedel een hooivork haar, muisgrijs, stofgrijs (RAL-nummer 7037.) gaven je geen blik als je binnenkwam. Pas als je een boek in je handen had en wilde betalen kwamen ze tevoorschijn vanachter een boekenkast; wat ze daar deden weet ik niet maar het duurde even voor zij, Beth, naar de kassa toog en zonder iets te zeggen afrekende; ik betaalde het boek dat ik besteld had: ´Wat ben ik´ een proza werk van de componist Erik Sati, tot ik bij de deur was en met de klink in de hand hoorde ik dan weer: Have a nice day. Garry en Beth had geen enkele zin woorden met mij te wisselen, wel als een lokale dichter binnenkwam, dan werden zij jolig; meestal tientallen jaren jonger dan zij, en veegde zij het strohaar achter hun oren om de gast een wang kus te geven; hun reet zo ver mogelijk naar achter en met gesloten ogen groeten zij elkaar. Nu keken zij mij vanachter de rij boeken waar hij zich samen met haar man Garry verstopt had, of ik niets gestolen had: want waarom zou hij mij nakijken? Buiten begreep ik het: Beth had in het boek van Erik Sati – zo had ik gezien – een folder gestopt waarop, onderwijl ik naar de dichtstbijzijnde café liep, met grijze drukletters stond dat er vanavond weer een poëtry avond werd georganiseerd; het evenement, zo noemde ze dat evenement poëtry, waar een dichteres haar gedichten komt voordragen; Sharif heette ze, Sharif Elmuse, leraar, geleerde die  poeziëworkshops geeft; werkt tussendoor in vluchtelingenkampen in Griekenland en tegen fikse betaling kun je bij haar een cursus dichten volgen; ze werkt voor de mensenrechtenorganisatie tegen mensenrechtenschendingen en op de afbeelding van haar zag ik een door pijn en verdriet vertekend gezicht, dat geheel omkranst was met veel grijs haar; een verschoten jas die te groot was hing tot ver onder haar knieën. Het evenement was gratis en open voor publiek, stond er gedrukt; met verfrissende poëzie, een drankje en goed gezelschap. Er stond ook een gedicht afgedrukt op de evenementflyer:

Hartlied

Alleen zagen ze golven

Alleen zagen ze de wind

toen de huizen instortten

Alleen dromen ze van dromen

Er waren geen vogels

Er waren geen bomen

Geen handen om de ogen af te dekken.

Enzovoort, aangekomen bij het café liet ik het hierbij. Het gedicht gaat over vluchtelingen die opgelicht worden door zeepiraten, zeemaffia en die ontheemde met gammele bootjes de zee opsturen. Het gedicht eindigt met: er zal altijd een hart in zee zijn met onze namen. Ik weet niet of de vluchtelingen hiermee geholpen worden, of de vragen over hun ellende worden opgelost, een oplossing met dit gedicht gevonden wordt? Ik ging aan een tafeltje zitten met een kartonnen koffiebeker en toch, ik wilde niet maar toch las ik: onze harten in ons dragen vuisten.

Ik maakte van de flyer een prop en als een volleerde volleyballer dumpte ik de prop in een lege kartonnenbeker op een tafel naast mij. Wat een geluk.

“Wie echt gevoel voor kritiek heeft, bekritiseert niet zichzelf, maar een ander; en de balk die je in je oog hebt, verhindert je geenszinds om de splinter te zien in het oog van je broeder: die balk wordt dan een verrekijker, een hele lange, die de splinter buitenproportioneel groot maakt,” schreef Satie.

Ik denk dat ik toch maar naar de Walt Whitman grijze baarden avond ga. 

 

USA @Robert Kruzdlo