Het Kruis van Damocles

Het Kruis van Damocles

De hel op aarde, het laatste optimisme van een kunstenaar. In kromme proza, ongrammaticale zinnen, vernietigen wij de natuur.  

Spanje 2019. De restauranteigenaar hangt met een arm over de bar en is verdiept in een gesprek. Ik wacht tot hij mij ziet. Zijn ogen kijken mij eerst doelloos aan en omdat ik daar iets aan wil doen blijf ik hem aankijken. De secondewijzer heeft bijna zijn rondje gemaakt. De klok hangt scheef.

‘O, … o god, u bent het.’

‘Ja, van de tekeningen’, zeg ik hoopvol.

Ik steek mijn hand uit en voel meteen de dikke, groffe en vieze hand hard knijpen. Ik knijp terug. Zijn dorre hand ruikt naar houtskool. Nu hij van zijn kruk is opgestaan en vanachter de bar op mij komt toelopen bewegen zijn lippen voor hij iets kan zeggen.

‘Kan ik nog eten en is het houtskoolvuur nog aan.’

Hij kijkt niet meer maar zoekt met zijn ogen millimeter voor millimeter mijn gelaat af. Een glimlach.

‘Ja u bent het. Natuurlijk ga zitten, gelukkig de houtskool gloeit nog.

‘Worst.’

‘Worst, ja natuurlijk.’

Ik loop met hem mee naar een nis in de hoek van het ruime restaurant, waar een dikke boomstronk nog na zit te gloeien. Hij slaat er met een ijzeren pook op. De vonken vliegen in het rond. In het donker vallen de smeulende kooltjes op de grond waarover hij loopt. Ik ga aan de ronde tafel midden in het restaurant zitten. Naast mij zitten drie tevreden mensen na te tafelen. Rokend en kletsend. Sigarettenpeuken liggen op het bord tussen afgekloofde kippenpoten. Een grote plafondventilator tolt boven mijn hoofd.

De tekeningen die ik aan de eigenaar van het restaurant Pi cadeau heb gegeven hangen schots & scheef aan de muur. Hij schenkt een koel glas eigengemaakte rode wijn in; met de pitjes van de druif er nog in. Door een corpulente Zuid-Amerikaanse wordt de tafel gedekt. Verschillend bestek. Olijven, brood met tomaat en knoflook. Het bezweten hoofd van Pi komt uit de schaduw van zijn houtskoolnis. Ik zie dat hij met een haarföhn de kooltjes aanjaagt. In afwachting van het eten tuur ik door een groot raam naar buiten. De zon verbleekt het plein. Een warme bries ritselt tussen de herfstachtige plataanbladeren. Een kokende blauwe hemel, zo helder als glas dat opaal smelt. Als deze zin niet kan is het toch een mooie zin die meer vertelt dan een zin als: op het plein komt voorlopig niemand. De wind schroeit ook in de nis van Pi. Ik hoor het vlees sissen.

Als er geen huisdieren waren, waren de gletsjers niet zo snel gesmolten, zeiden mijn neuronen in mijn hoofd.

Ik kijk naar de tekeningen. Jaren geleden was ik hier gestrand en al tekenend, het plein vanaf Pi’s terras, vroeg Pi of ze te koop waren.

‘Ruilen voor een worst op de barbecue’, zei ik. Pi had zijn hand op mijn schouders gelegd. Dat voelde goed. Door een hand op mijn schouder begon mijn carrière als kunstenaar. Meer dan vijftig jaar geleden.

Ik ging graag tekenen in de haven van Amsterdam. Overigens was ik altijd alleen en zag nooit een ander tekenen. Schepen aan de kaai, platschuiten, zeilboten en kleine slepers. Ik tekende boeg en achtersteven van schepen snel in een goed perspectief. Schepen op het water in allerlei richtingen, in kikvorsperspectief, ik had er geen moeite mee. Voor mij niet uitzonderlijk omdat ik mij niet hoefde te meten met welk andere tekenaar dan ook: tekenen was voor mij een natuurlijke gewone zaak. Dat dit bijzonder was wist ik toen niet. Tekenen deed ik in een soort trance. Ik wist niet eens wat mijn hand deed dan wat ik zag op papier. Mijn hoofd was heer en meester en niet de filosoof. Ik hoefde niet te weten, deed gewoon wat ik fijn vond en ik liet mijn tekeningen aan niemand zien. Als ik thuiskwam – we woonden in een woonwagen die op een plein stond in de stad – kon ik maar beter niet zeggen waar ik vandaan kwam want in de haven was het nooit pluis en van tekeningen hield de familie niet. Ja of het moest een Toorop zijn.

Vreselijke kunst vond ik. Symbolistische tekenaar. Hoofden, neuzen als messen, strak en om er een nachtmerrie van te krijgen, keek ik niet graag naar de enorme kopie van Toorop die aan de woonwagenwand hing. 

Het was op een mooie maar saaie zonnige dag dat ik op de kade gezeten met mijn voeten vlak boven het zwarte water bengelend, ik nog maar net met zwierige lijnen een aantal slepers met enorme pluimen zwarte rook uit hun schoorstenen getekend had; die een kustvaarder afmeerde aan de kade, toen er zachtjes een hand op mijn schouders werd gelegd. Het voelde of ik met geweld werd bevestigd: ik was ineens niet meer alleen. Een mannenstem zei: Weet je dat er een school is waar je tekenen kunt leren? Een akademie voor kunstenaars? Als je wordt toegelaten word je misschien een hele goede kunstenaar. Natuurlijk wist ik dat niet. Thuis ook niet. Toen ik voor het eerst mijn tekeningen liet zien met de woorden: Ik ga naar de akademie, keken ze mij aan of ik gek was geworden.

‘Je bent toch geen Jan van Eyck’, zei overgrootmoeder. Haar gezicht was niet anders als wat achter glas aan de muur hing: Toorop.

‘Esser, als je kunt tekenen als Esser, dan ja… Maar deze tekeningen die ik nu zie, dat zijn scholierentekeningen.’ Ik kon gaan.

Toen ik van de kade opstond keek ik in een zacht gezicht. Hij keek geduldig met een glimlach naar mijn tekeningen. Zijn ogen glinsterden. Het water glinsterde ook. Alles leek te fonkelen en omdat het niet genoeg was zei de man: Jij komt er wel.

Pi zet het eten voor mij neer. Een bakje slakken, meloen met ham en de op houtskool geroosterde worst. Genoeg om de aarde op te warmen. Een klodder dikke knoflook-mayonaise, Aioli, en water. Naast mij werd er nog steeds druk gepraat en gerookt. Bij ieder nieuwe zin die werd uitgesproken klom er een dikke wolk rook uit hun monden. Zonder de gedachte hoe ik de wereld kon redden begon ik te eten.

Toen ik de Rijksakademie verliet, had ik het gevoel dat ik mijn ziel had verloren: ik had tekenen geleerd. Mijn tekenziel was verschrompeld tot een prop papier. Het was verstand geworden. Mijn hand had verstand van tekenen gekregen. Een goede tekenhand hield ik ervan over. Ook was mijn tekentrance verdwenen, daarvoor was het kijken zien geworden en was ik in een soort Rembrandtiek terecht gekomen. Ik voelde de hand op mijn schouders als een atlas van bezorgdheid: wat nu? Ja natuurlijk was ik meteen aangenomen op de akademie, viel ik in de prijzen en kreeg na mijn studie een atelier waar ik mijn tekenkunsten in relatieve eenzaamheid kon perfectioneren: elke week kwam een professor van de akademie voorbij om mijn werk te beoordelen. Ik maakte vorderingen en toch liep alles achteruit, werd depressief en begon met drinken; heroïne en het liefst elk weekend een ander meisje, soms niet ouder dan zeventienjaar. Ouders kochten dan later een naakttekening van hun dochter. Alles was mogelijk, als ik maar zei dat ik de akademie had gedaan. Ook weer zo’n zin. De man van de schouderklop was rector op de akademie. Zijn naam ben ik vergeten.

Inmiddels heb ik de slakken op en ben halverwege de worst.

Toen ik de akademie verliet bedankte ik de rector met de woorden dat ik allang kon tekenen voor ik begon aan de akademie en dat de tijd op de akademie mij misschien bevrijd heeft van grootmoeders afwijzende blik; ijskoud en vol onbegrip over mijn talent. Mijn moeder zag ik bijna nooit. Die doet in dit verhaal niet mee. Ik vervolgde: nu ik dat diploma heb, zonder centen op straat sta, niet eens weet waarom iemand zo nodig moet tekenen, kunstenaarschap mij op de schouders is gelegd, ik dit allemaal als een straf zie.

‘Je komt er wel,’ zei hij met dezelfde glimlach en fonkeling in zijn ogen, als toen. Ik twijfelde of ik moest zeggen dat ik boos was, boos op mijn talent en boos op de wereld die toch naar de klote ging. Net als schrijven. Ik ben er soms doodziek van. Maar toch. Met die architectonische breinaanleg heb je gewoon niet te kiezen. En dus zit ik hier, na mijn diner, fles wijn leeg, hier naar mijn tekeningen te kijken.

Om de wereld te redden moet je voor een groot gedeelte heel veel talent uit de mensen snijden.

De rokers zijn inmiddels verdwenen. Het stinkt. Alles stonk. Misschien stinkt buiten de brandende zon naar lava? Tot ik plotseling word opgetild, zomaar van mijn stoel, ik zweefde even. Vrolijk werd ik ervan. Terug op aarde kijk ik nog eens goed naar een tekening, een portret van Pi, de houtskool man, de in de zinderende hitte van de nis verstopt elke dag het vlees staat te rosteren. Zijn ogen in een krater van een vulkaan. Hier in dit dorp verstopt in de Pyreneeën, aan een kokend plein met verbranden platanen en enkele huizen als broodroosters. De aarde stinkt naar verbrand stof, de cactussen hangen als slappen schoenzolen aan de bijna honderd jaar oude stam. Verschrompeld als een mummie. Hun vruchten zijn op de grond gevallen en de bramen zijn niet groter dan een knop van een speld; geen zwaluwen meer in de lucht, dode vliegen op de vensterbank, ik ben er klaar voor. Het gras onder mijn voeten breekt als glas. Ja ik zie het goed. Elk blad van de plataan valt als glas, of als een dun plakje hout, ritselend over straat schuifelt het tussen de terrasstoelen. Ik hoor de hitte, Pi zijn blik, de klok, de tijd om op te stappen. Onderwijl kijk ik nog steeds naar mijn tekening.

‘Waar kijk je naar, zegt Pi als hij met het wisselgeld terugkomt.

‘Ik zie ineens weer alles terugkomen,’

Pi begrijpt mij niet.

‘Ik zie, kijk in mijn hoofd,’ probeer ik.

Pi neemt een ratafia.

Onveranderd is alles gebleven, ook al veranderen dingen, onveranderd zal de wereld naar de kloten gaan, wat zeker het geval is en omdat er geen redding mogelijk is, heeft altijd de zon om de aarde stil gestaan; is de natuur doodmoe al blijft de tijd doortikken, de wijzers rondje naar rondje in cijfers schuilen, blijft de tijd cyclisch stilstaan, en omdat de aangegeven hand die ooit op mijn schouders drukte er nooit is geweest, ziet mijn brein dezelfde lijnen, welke richting die dan ook opgaan, terug en naar voren, vroeger en nu. Ja dat zag ik.  

Foto Robert Kruzdlo @rkruzdlo       

ARTHUR VAN AMERONGEN

Arthur van Amerongen als kind

Je jaagt altijd een hondse kick na.

Hoe vaak hebben we elkaar niet gepasseerd opzoek naar een genotmiddel. Ik pieker mij suf. 1967 en of later? Zoek een foto op google en misschien zal je mij herkennen. Het Lieverdje, het Spui, of café Zwart, daar zag ik je geregeld. Een bokkige muilezel net als ik. Zonder gezonde kloten neuken omdat dit nu eenmaal genetisch in ons zit. De evolutie heeft dit zo bepaald. Heeft niets met de man of vrouw te maken: wrakken zijn we nu.

De sleur van het gezin waar je uit voortkomt, heeft de architectuur van je hersenen bepaald. De omgeving-neuronen heb je door alcohol en drugs vernietigd. Maar, die neuronen blijven maar terugkomen. Kapotte relaties, vrouwen die er later allemaal eender over dachten: je bent een Peter Pan zonder hersens. In het genetisch ontwerp kan geen verandering meer plaatsvinden. Je blijft wie je bent.

Het taaltje dat je hakkelend en hortend, het Amsterdams van vroeger, de onvolledige zinnen en kopieën van gedachtes uitstoot; het oude provotaaltje, bombast van vrijheid. Ik herken meteen Diogenes in de ton. Niets accepteer je van een ander, dat is de ‘kick op een ander.’ Honds, hondse filosoof, met de moed der waarheid die met een zaklantaarn opzoek naar moeder de vrouw, dé mens. Je lijkt heel veel op mijn verzonnen evenbeeld: ook ik ben kynisch en niet cynisch. Heb jij dat ook, het syndroom van Diogenes? Ze zeggen dat je geen agenda kan maken met mensen, alleen met honden. Maar honden zeggen niets. Parrhêsia flower power, all you need is dogs. Dit lees ik allenmaal in je boek MIJN MOEDER IS GEK.

Mijn moeder was ook gek.

Zij was een duivelse en engelachtige vrouw, een moeder als een kind; anti Wendy-complex, dierentemster en honds: mannengek. Lilith. Jouw moeder had wel een Wendy-complex. Mijn moeder offerde haar egotisme op voor egoïsme. Zwaar leven. Jij schrijft over je moeder alsof ze niet dood is, levend begraven bedolven onder woorden, met een directheid van een fysisch wonder op een apenrots. En wordt het nat organisch ingedronken, door roeien en ruiten gaan. Lethargische toestanden. Wie ben je nu eigenlijk Arthur van Amerongen? Een architectuur van een bedwelmende parrhêsia brein of een arrogante kwast?

Gaat je volgende boek over wie ben ik… ?

@Robert Kruzdlo

1999 even oud als nieuw

Klikken

TROUW 11 juni 1999 Het gebod ‘gij zult niet klikken’ is een van de belangrijke richtlijnen voor ons gedrag. Het moet wel heel raar lopen wil iemand aangifte doen bij bevoegd gezag wanneer hij iemand een overtreding ziet begaan. Pas als men het héél bont heeft gemaakt, vindt de politie een zaak de moeite waard.

Er rust een taboe op klikken en daar profiteert bijna heel Nederland van. Van goed gebekte marktkoopmannen, taxichauffeurs, agressors in tram en metro tot politici.

Ik ben de vader van een van de twee dove meisjes die in maart in een Amsterdamse metro werden mishandeld door enkele jongens. Andere mensen in de metrocoupé zagen het gebeuren, maar traden niet op. Mensen zijn bang, want als de overtreder verraden of aangesproken wordt zal zijn reactie onbeschaamd zijn.

Maar klikken is niet verkeerd. Het kan kan misschien een bijdrage leveren aan herstel van de maatschappelijke balans. Allereerst moeten we het woord ‘klikken’ uit de negatieve sfeer halen en het plaatsen binnen de burgerzin. Ook kan klikken alleen lukken als men het uit de anonimiteit durft te halen. Onverschilligheid tegenover asociaal gedrag zal zich op den duur moeten wreken.

Dit schreef ik in 1999. In mijn boek Tussenmens klik ik erop los. Ik voel mij als Diogenes in een ton; honds en bloed-eerlijk. De wereld in Tussenmens is des duivels en engelachtig. Ik moest aan dit bovenstaand artikel denken toen ik aan dit boek schreef: wij zijn allemaal tussenmenselijk aan het klikken… . Toch¿

Tommy Wieringa pennen

Toen ik het boek ‘Dit is mijn moeder’ gelezen had kon ik deze gedachten niet uit mijn kop verbannen: Dit is een moeder van papier, van letters, de Judas Taddeüs heeft zijn werk gedaan. (Bladzijde 122.) Het boek is zonder vlees en bloed; als een levende steen brengt de schrijver een ode aan het rationalisme, op een uitleggerige manier van een schoolmeester.

Het meeste plezier beleefde ik aan de stijl, de vorm waarin dit boek gegoten is. In ijs. Alsof de schrijver, op zijn Salteriaans, in afwachting van zijn verraad schuld bekent door de droom binnen te stappen: alleen de dingen die beschreven zijn, zijn echt. ‘It comes from life, but it’s not life’ had Salter toch een keer gezegd?  

Het bungelen aan de rand van het bewustzijn, in onzin gekeerd, gebruikt de schrijver melodische stoplappen gedrenkt in uitgewrongen zielenpijn. Het boek is van het begin tot het einde een dwarrelend blad, geschreven met dertien of meer, verschillende pennen gedoopt in polderazijn. Daarom vind ik het boek goed geschreven, niemand doet het hem na.

Schaamte overheerst, vooral over de diepe rafelige randen waaruit de zoon het leven van moeder bijeenveegt. Hij schrijft met een aplomb, egotistisch – waar zijn de andere familieleden in het boek – met een vurig verlangen over een vruchteloos leven met zijn moeder die misbruik maakt van de aanwezige zoon als schrijver: ze verkoopt zijn boeken in haar winkel en signeert ze zelf. Met een schrijver in de familie is er geen privé… . Was die er dan?

Nooit heeft de schrijver zich kunnen inleven in de moeder. Ze mochten elkaar niet.

Auw

Auw

Miauw

Miauw

Auw auw auw miauw

Dit gedicht, van Joseph Walter Zlo, schoot door mijn hoofd toen ik op bladzijde 105 aanlandde. Conversatie als het mauwen van katten in de nacht. Nu het staat gedrukt. Katten kunnen maar twee dingen, klauwen en krollen… .

Zijn moeder was rücksichtslos mannenvriend, ten koste van de ruimte van een ander. De zoon, zoekt al schrijvend zijn moeder in dunne- en dikke lijnen van gedachten. De dood van de moeder heeft zich in een wonderlijke stijl de handen van de schrijver gewrongen, die ik echt Hollands vind. Ergens, nergens zit de schrijver op zijn zielenpijn te broeden. Hij durft niet. Hij kan het niet. Het is een schip dat is vast komen te zitten in de modder, de prut.

Ik moet eerlijk zijn: dit blog gaat ook over mijn moeder. Mijn moeder was nog erger dan de moeder in het boek ´Dit is mijn moeder´. De  foto’s van moeder Tommy zijn vertederend en hoe opgewekt ze ook uit haar ogen wegdroomt, weg van haar last, ze blijft een wereldvrouw zoals alle wereldvrouwen. Het is een gemoedsaandoening van een andere planeet die mij beroert. Ze, Tommy´s driftige moeder, had zeker naar Mars gewild als dat toen had gekund. Ik kan het weten. Dit soort moeders kunnen daar beter gedijen.

Had ik maar een moeder zoals Tommy Wieringa, uit steen gehakt splijtend ijzer. Zijn poging haar te beschrijven was een liefdevolle zoektocht, onvervulbaar dat wel, terug naar de baarmoeder. Het is een gortdroog verhaal geworden. Een vlucht regenwolken zonder tranen.

De schrijver had zijn verhaal moeten vertellen aan de kunst en niet aan de lezer.

Tommy Wieringa eigen uitgave. Logo Floris Tilanus! (Vliegtuig.)

ISBN 978 90 828 830 08

Boek Tussenmens schrijver Robert Kruzdlo

Dit boek heeft gebruik gemaakt van de wereldliteratuur en kunst-neurofilosofie, een interdisciplinaire studie van kunst, neurowetenschappen en filosofie. Als ik alle secundaire literatuurwerken, die mij hebben geïnspireerd, in dit boek had genoemd, was dit boek meer dan duizendbladzijden geworden.

Één denker ben ik heel veel verschuldigd, vriend en oud professor van de Rijksakademie van beeldende kunsten Jan van Riemsdijk. Hij zal hebben meegekeken.    

Liefde is lust

Herontwerp Robert Kruzdlo

Gödel

We kunnen niet niet weten

Altijd zijn we wel iets en

Al is dat iets niet te bewijzen

Iets moet gewoon iets zijn

@robertkruzdlo uit de bundel IJzen

De liefde is geen werkelijkheid, het is een lust, een lust om het woord te gebruiken.

In Catskill Amerika sprak ik een man die wist dat in de grondwet van de VS een tegenstrijdigheid stond. Hij ontdekte dat de VS een dictatuur kan worden. Als Trump daar weet van heeft, dan is het mogelijk een naziregime in de VS te stichten. Wordt zijn gedrag nu beter verklaarbaar? Weten de rechters in de VS wat Trump weet? Jazeker weten de rechters dat, zei de man. We love America!

*

Ik las in de kranten dat Hanna Bervoets in VPRO-zomergasten eloquent, levendig, streng in haar gemoedsaandoening, uitleggerig en om grote emoties te ervaren ze naar filmpjes op YouTube kijkt. Vooral de liefde kwam voorbij. Wat is liefde, affectie, en waarom hebben we het nodig? Bervoets eindigde die avond: ‘Liefde is gezien en getroost worden.’

Liefde is alleen een woord, zei overgrootmoeder toen ik zes jaar oud was.

‘Liefde daar veeg ik mijn kont aan af. Het is een woord, maar geen werkelijkheid.’

Ik ben het met haar eens. Liefde is een woord dat je net als Bervoets na eigen dunk kan invullen. Het is een woord dat door iedereen gebruikt wordt. Liefde is ook een illusie. Gelukkig duurt het leven langer dan de liefde. (Dan menig liefde.) Liefde is gewoon een lust. Chemie. Chemie van lusten. Vrouwen moeten dit toch weten?

*

Wil je een goede schrijver zijn, dan moet je aan de wereld van de markt ontsnappen. Dat zei de schrijver Ferrante. Ik ben het ermee eens. Ferrante was daarom lang onzichtbaar en weigerde elk interview. Schrijven zonder in het openbare leven bekend te zijn betekent, dat je je beter kan concentreren op je werk. Zo ontstond het oeuvre van Ferrante.

*

In het boek van Maeve Brennan EEN BEZOEK wordt loodzwaar theegedronken, de open haard is de enige plaats die warmte geeft en de vrouwen voeren een pestoorlog; giftige heksen bijgestaan door milde tweederangs hoela’s. Ik heb nog nooit een boek gelezen waar vrouwen nog erger dan mannen zich de frisse adem in de hersens misgunnen. De knoet van de schoonmoeder, de arme mensen die aan de deur komen, een vrouw die haar liefde van haar leven niet mag bezitten: vrouwen zijn gewoon teven. Mijn overgrootmoeder zei het al: ‘De liefde nekt je.’

Het einde van het boek van Maeve Brennan is mooi: Zij, Anastasia speelt nog één keer het gekwetste meisje. In de hoop dat het leven de liefde weer terugvindt. Nee dus.

@robertkruzdlo  

ONS

Nosaltres Catalans

Durf grensverleggende vragen te stellen.

Essayist Arthur Eaton in De Groene Amsterdammer: Freud schreef: ’Groepen nemen de persoonlijkheid van hun leider over.’ Wat zegt het dan over ons dat er zoveel flagrant narcistische politici aan het roer staan?

Dan volgt er een trits van denkers. Niet dat daarmee antwoord op de vraag wordt gegeven, die komt op einde van het essay: (…) beneden trof ik mijn tante huilend aan op de sofa. Eerst begreep ik niet wat er aan de hand was. Toen zette mijn broer het geluid van het televisietoestel iets harder. It’s going to be America first! (De Groene Amsterdammer, 24 juli 2019.)

Zoek op Wikipedia naar: It’s going to be America first, dan kom je al een boel te weten. Vanaf 1920 of daaromtrent was deze uitdrukking al gangbaar. Hoeveel tantes hebben er niet gehuild en juichend met de tranen aan hun onderooglid op de bank gezeten? Ik weet er alles van, was erbij.  

En als Arthur al die zogenaamde wetenschappers als Freud nu eens niet gelooft, wat was er dan van zijn vraag overgebleven: Niets.

Wat is dan de oplossing, het antwoord op zijn vraag en wat zegt het dan over ‘hen’, de kiezer, dat er zoveel flagrant narcistische politici aan het roer staan?

Ik begin zo langzamerhand kriegels te krijgen van essayisten die ‘ons’ uit gaan leggen waarom verkeerde narcisten aan het roer staan? Ben ik een ONS waard? Of lijk ik meer op de tot tranen toe geroerde tante? En wat bedoelt Freud als kwakzalver nu eigenlijk precies? Ik ben nu, hierdoor, de weg kwijt… .

Of je nu democraat of republikein bent, het maakt niets uit dat je de slogan: It’s going to be America first, gebruikt. Dat Trump de slogan weer in gebruik heeft genomen, zegt niets over de verkeerde- of goede narcist.

De slogan ‘America first’ is dat verkeerd? Dat vonden een heleboel mensen. De slogan heeft iets nativistisch: door een verkeerde aangeboren kennis? Aangeboren mensenhaat? Maar overal waar ik kwam, kom, en nu ook zelfs in Catalonië, kom ik dezelfde soort slogansymbolisme tegen. De ziekte van ‘Ons’ krijgt de leider die het verdient.

Ik ben Amerikaan en na de laatste presidentsverkiezing, heb ik duizenden kilometers door Amerika gereden om te zien wat voor mensen dat waren. Van New York naar Buffalo, via Catskill terug, heb ik vaak, om de ellende die ik tegenkwam, de gesprekken met mensen die geen toekomst hadden, kansloos waren en die je zo bij de vuilnisbak kon zetten, moeten snikken: ONS-mensen die op Trump hadden gestemd. De brok zit me nog in de keel.

Mijn goede narcistische ziel was niet meer te redden. De armoe, zieke mensen, uitgeputte mijnwerkers, alcoholische dierenliefhebbers, Bijbelgenootschappen en achterlijke ‘rednecks’; natives, geboren Amerikanen allemaal hebben ze op Trump gestemd. Geen Freud, Jung, Adler, Badiou, en alle goede-narcistische tantes van de wereld kunnen deze situatie veranderen. Een goede-narcistische inslag zegt niets meer. De mensen met een fout- en goednarcisme, waren Trump-aanhangers. Een ONS.

En de essayist Arthur dan, vroeg ik mij af?

Zoek eens een essayistische weg die de wereld verandert en schrijf met een ellenbogeninstinct*, essayistische gromtaal die echt schrik aanjaagt, die de muur van de ONS doorboord, in plaats bij onbeantwoorde vragen blijven steken.

Fidel Castro had ook een slogan: Vaderland of de dood!

De ONS Spanjaarden hebben er ook een: Patria, Socialisme o Muerte.

De ONS Catalanen kunnen er ook wat van, die van Apel les Mestres: No Pasaran. Over mijn lijk.

Wij allen willen overleven, ONS is een biologisch lot, soort bij soort. Hoe groter het nationalisme, hoe verpletterender het symbolisme wordt: ONS.  

Amerika, volgens Freud, was een gigantische vergissing. De rest van de wereld misschien ook. Gelukkig hebben we nog een ONS waar de meeste aardbewoners in geloven.

Misschien moeten we mensen die door symbolen geleid en door kretologieën misleidt worden, bevrijden uit het groepsisolement?

In ieder geval weet u nu dat ik geen flagrant narcist ben.  

@robertkruzdlo

* Voel ik meteen met mijn ellebogen aan in welke categorie hij of zij thuishoort. Het ellenbogeninstinckt, van feilloos psychologisch doorzicht. Vrij naar: IJlings naar nergens. Jeroen Brouwers De Parvenu bladzijde 275 ‘Feuilletons’. Zuiveren van parvenu’s in de Nederlandse letteren.)

Verboden werk, en stijlen van prostitutie.

Speerpunt van beesten in de literatuur

Vanaf mijn puberjaren ben ik van nature het meest gebaat bij dat alles zus-of-zo gaat. Niet meer dan een soepele, bizarre mengeling van flitsen van geloof en ongeloof. De meesten onder u kunnen zich deze chaos níet veroorloven.

Nu heb ik hierover een boek geschreven, en het valt mij op dat dit boek door de stijl, vorm, een kunstwerk geworden is: een groot kunstwerk van het brein. Het brein dat wikt en weegt en bij vallen en opstaan wordt het altijd wel iets. Zo ook mijn boek dat ‘TussenMens’ heet.

Zolang ik leef, weet het brein feilloos hoe hij mij staande kan houden; door miljarden variaties van mogelijkheden te koppelen aan mijn genetische aanleg, mag ik mijn gang gaan. Vaak word ik door mijn kunstcollega’s een ‘kunstbeest’ genoemd.    

Het beest in de mens, is een vaak gehoorde benaming voor schrijvers, kunstenaars die hun tijd vooruit waren, maar ook voor beroepen die min of meer verboden waren. Lees het boek ‘De negentien boeken die ons boos maakten.’* Het beest dat je kan uitkotsen, is morgen weer een normaal mens: het beest in de mens krijgt gelijk. Geen mens weet wat gaat komen door al die wilde eye-openers van de ontembare beest mens.**

Mijn eerste kus. De langste kus die ik ooit gaf was aan een meisje, dochter van een prostituee, nu sekswerkster genoemd. In die tijd was het heel gewoon, dat mama op de Amsterdamse Wallen een hoer was.

‘Mama is hoer en als ze thuis komt, is ze weer gewoon mamma. Ze houdt alleen van papa,’ antwoordde Maria toen ik haar vroeg wat mama voor werk deed. ‘Het is gewoon werk in De hoofdstad van de zonde,’ en keek mij aan met blije ogen. 

Gelukkig had ze een trouwe vader!

Op mijn zestiende speelde ik met mijn tweemansband Hostie in een kroeg tegenover het politiebureau Warmoesstraat; Henk drum en ik gitaar, wild, eentonig drie akkoorden. Een oude Phillips buizen radio van voor de oorlog was onze luidspreker. Daar leerde ik Maria kennen. Maria was de enige die luisterde naar mijn verbeelden powerakkoorden. Maria en ik waren opslag verliefd, blind en met de ogen dicht hebben we, daags daarna op de Dam Amsterdam, uren gezoend. Op de Dam, daar zoenden wel meer mensen de hele dag. De enige onderbreking was het bezoek van de bereden politie. De twaalf spierzenuwen zorgden dat mijn tongspieren, door het zoenen, dagen spierpijn hadden.

Waarom gebeurde deze dingen vroeger probleemloos?    

Vandaag 25 juli las ik in de Volkskrant een column van Aleid Truijens: “Sekswerk zal nooit beschouwd worden als ‘gewoon’ werk. Seks houdt de wereld draaiende. Vervult mensen met liefde, ontroering en toewijding, maar ook met jaloezie, agressie en machtswellust. Er zal altijd de geur van het verbodene en onbereikbare omheen hangen. Seks is schaamte en overgave. Seks is sacraal en banaal, het mooiste en het laagste.

‘Maar sekswerk is wel gewoon werk,’ had Maria al in 1965 uitgelegd.

Sekswerk was vroeger gewoon werk, met liefde gedaan, toewijding en zonder enige onderdrukking of verdrongen rabiate, vrij en eerlijk.

De moeder van Maria, dame van lichte zeden was de tijd ver vooruit. Hulde dus aan al die dames die de kunst van het scheiden der lusten verstonden. Werk en thuis gescheiden hielden. Helaas blijft Aleid in de geur van het verbodene hangen. Ze had ook een pleidooi kunnen schrijven, een pleidooi over het verleden.

Er is een geur van die tijd in de Amsterdamse Wallen blijven hangen, die van de echte sekswerkers van toen. Voor deze misdragen, echte seksbeesten mag een standbeeld komen die herinnert aan de vrouwen die het vak verstonden.

Vrouwen neem het heft weer in handen, jaag de duivel van jaloezie, agressie en machtswellust uit u hokken; weg met de ‘pooier’ of ‘bikker’ en wees weer een eerlijke prostituee.

@robertkruzdlo

**(Bladzijde 141 staat een fout aangaande Bertus Swaanswijk die naam maakte als dichter Lucebert. Lucebert was fout in de oorlog. Dat kon Joost de Vries toen het boek uitkwam niet weten. R.K.)  

***Cultuur en migratie in Nederland. Verandering van het alledaagse 1950-2000 – dbnl

TussenMens

Olifant bezoekt café in Den Ouden Vogelstruys Maastricht 1955

TussenMens

Fragment uit het boek “TussenMens” van de schrijver Robert Kruzdlo.

Kun je je die dag van de dood erna nog herinneren?

Ik concentreer me, terwijl ik probeer zoveel mogelijk, liefst alles, terug te halen. Lukt natuurlijk niet. Misschien heb ik rond het incident met Hans veel verdrongen?

Onder de vrouwen bestond de buitenwereld niet echt, die werd elke dag gemaakt, maar die dag: kil begint plotseling de lucht te betrekken, langzaam komen er kolengruiswolken aandrijven. Een helder vreemd aslicht schijnt af en toe door de openingen in de wolken. De vrouwen zitten weer gezamenlijk aan de keukentafel. Waarover ze het hebben? Moeder veegt met de hand de broodkruimels bijeen en zegt: ‘Morgen vertrek ik weer. Hans en ik hebben werk gevonden bij Circus Renz. Eerst een optreden op het Vrijthof.’

Dan veegt ze weer kruimels tabak van de keukentafel. Pieter haalt stoffer en blik. Ik mag even op moeders schoot zitten. Als ik mijn hoofd tegen haar borsten wil leggen, schrikt ze. Ik knijp in haar pols.

‘Doe niet zo gek, je lijkt je vader wel, ook zo’n knijper.’

‘Zeg dat toch niet.’ Pieter sloft met stoffer en blik naar de keukendeur.

‘Doe die deur dicht, het is koud hier,’ zegt moeder. ‘Kom, dan laat ik je wat foto’s zien van onze act met de motor. Zie je die kerk hier en dat huis daar, daartussen wordt een dik touw gespannen, van de kerkspits naar dit huis, je weet wel café ‘de Struys’ … ik bedoel naar café Den Ouden Vogelstruys. Over dat dikke touw rijden we met de motor. Morgen zul je de rest zien.’

Ik begreep er niets van, maar de manier waarop moeder het vertelde was spannend en het leek of ze mijn aandacht, hoe fragiel dan ook, toch weer kon breken. Auw.

‘Morgen,’ zegt ze, ‘morgen hoef je ook niet bang te zijn, hoor, ik zal niet vallen en …’ Fluisterend: ‘Zeg maar een weesgegroetje op, ik neem als ik terug ben een echt cowboypak voor je mee.’

Moeder keert de asbak om, peutert de peuken open en rolt van een hoopje tabak een sigaret. Ik ruik een bittere lucht en proef de rook.

@robertkruzdlo

Marja Pruis: Zullen we het eens echt over vrouwen hebben?

Marja Pruis 2014 tekening Robert Kruzdlo

Vaak kiest men voor de aanval en maakt men vijanden, om te verbergen dat je zelf zwak staat. Friedrich Nietzsche.

Marja Pruis 1959 gaat in De Groene Amsterdammer opzoek naar de man en de vrouw in de mens. Zo lees ik dat de man is geprotuubd en kapot gefeminiseerd is, maar wie is nu de echte man: Je wordt tenslotte niet als man geboren, maar tot man gemaakt, om maar een beroemde schrijfster te parafraseren, schrijft Marja Pruis. Zij herleest de literatuur hierover? Maar omdat er niet alles opgeschreven is over de vrouw en man verhouding of zo je wil, de liefde, geef ik hiervan eigenwijs een voorbeeld.

Oma An zei: mannen zijn alleen geïnteresseerd in een gat, maakt niet uit wat. Ik was zes. Oma An was lesbisch, maar dat wist ik toen niet.

Nu ik weet wat mijn Oma bedoelde, begon ik mij af te vragen wat wil de vrouw nog meer? Niet alleen dat, ook begon ik langzaam te begrijpen dat mijn moeder van heel véél van mannen hield en egotistisch haar eigen weg ging. De een naar de ander viel af. Toch had ze aan een kraal mannen nog te weinig. Toen ik mijn eerste vriendinnetje kreeg, moest ik van haar leren dat een man nooit een vrouw kon bezitten: dat beslist de vrouw zelf. En al was die beslissing van beide vrouwen weliswaar biologisch, ook dit wist ik pas veel later: mijn vriendin liep de hele dag met een opgepompte flamoes rond. Ik kan eerlijk zeggen dat deze vrouwen mijn leven hebben gekut; het was grote liefde en groot verdriet tegelijk. Een dichotomie uit liefde? Nooit meer voor herhaling vatbaar.

Toch dames, mevrouw, meisje, raad ik u aan blijf in de liefde geloven; de strijd die het geeft, als mens -niet als vrouw of man- is liefde de enige redding. Ook al is of was het een illusie, de waan van de biologie, de neuronen hebben één uitgangspunt en dat is en blijft liefde: in mijn geval met pijn en verdriet. Liefde blijft liefde en meer dan liefde is er niet. Liefde heeft de liefde meer lief dan de liefde zelf. Was dit niet van Nietzsche?

Vrouwen vechten daarom om meer recht, lijkt me. Mannen zoals ik, vechten om erkenning; mijn mannen-mensenwereld, mijn probleem is nog nooit in de literatuur uitgekristalliseerd. Ik denk dat vrouwen, vrouwen met een vaginaal stendhalsyndroom nog nooit een roman hierover hebben geschreven. Vooral niet een vrouw die de man uit liefde en onafhankelijkheid, eigenlijk zichzelf keihard portretteert!

Om met Groene-critica Marja Pruis te spreken: er is nu eindelijk meer tussen hemel en aarde. Marja schrijft 3 juli in De Groene Amsterdammer: Het gaat niet om de vrouw of de man, het gaat om de mens. Ze sleept Stenhdal erbij die laat zien dat als een vrouw authentiek gemoed heeft, een principiële onafhankelijkheid, een afkeer van huichelarij, een verlangen naar oprecht geluk, dan pas vrij is?

Had ik dit maar geweten.

Stenhdal verzuchtte op zijn einde van zijn leven dat na al dat geschrijf hij nog niet begreep wie hij was.

@robertkruzdlo

Eind dit jaar verschijnt mijn boek TussenMens. In deze roman vindt u meer over dit onderwerp.