Rusland helpt Catalunië?

Poolse schrijver

De Poolse schrijver Adam Zagajewski (Lvov, 1945) die wordt beschouwd als een van de grote Midden-Europa schrijvers zegt in een interview voor de La Vanguardia dat hij weet dat Poetin de Catalaanse separatisten financieerd?

Op de vraag: Volg je het politieke nieuws van Catalonië?, antwoorden Adam.

Iedereen doet dat natuurlijk. Het is een gevaar voor Europa, er zijn artikelen gepubliceerd in Polen die aantonen dat Poetin en Rusland veel geld geven aan het Catalaanse separatisme. Aan de andere kant heb ik hier vrienden die onafhankelijk zijn en ik begrijp heel goed dat dit een oud en complex probleem is, dat Catalonië lang naar meer autonomie heeft verlangd. Maar voor Europa zou het niet goed zijn als nieuwe staten floreren, zoals Schotland of Catalonië.

https://www.lavanguardia.com/cultura/20191106/471422237437/adam-zagajewski-libro-entrevista-nobel.html#linkcomments-xsde 12 slachtoffers

Sociologie is zelf een onderzoeksonderwerp

Kennis, harde wetenschappelijke kennis, kan de huidige ingewikkelde samenleving nauwelijks een dienst bewijzen. Daarvoor is die samenleving te onontwarbaar. Het voorstel van Warna Oosterbaan (Opinie & Debat, 23 december) om de van kennis verstoken meningen in te dammen ofwel de feiten boven gebeuzel van ervaringsspecialisten te laten gelden, is een romantisch wetenschappelijk verlangen.

Ik schreef op 5 november 2005:

Harde feiten, heldere systemen, zijn ongevoelige werelden. Een mens heeft niet alleen behoefte aan aan wetenschap grenzende zekerheden, maar ook aan onnozele dingen. De wetenschap zal niet de laatste zijn die het zonder onnozelheden stellen kan. Vanaf de ontdekking van het buskruit tot en met de atoombom; de ontdekking van de psychoanalyse; de ontdekking van het brein en haar biologische neurologische compositie heeft die wetenschap maar weinig goeds gebracht betreffende het leven op aarde, het heeft tot zeer grote maatschappelijke consequenties geleid.

Ook in de wetenschap heb je wetenschappelijke entrepreneurs in de psychologie, psychiatrie en parapsychologie (die geen wetenschappen zijn). Ook in het kennisland, in het feitenbos heb je tegenstrevers die elkaar in balans houden wat de verkoop van boeken stimuleert. Ook daar binnen de muren van de opleidingen wordt met feiten gegooid alsof zij, de naakte feiten, feitenmonsters in universiteitenland, het leven kunnen vergemakkelijken of het lijden kunnen verminderen.

Feiten zijn hanteerbaar, mensen niet. Feiten zijn vaak niet maatschappelijk relevant en feiten kunnen nauwelijks aan `herstel’ van de samenleving verbonden raken. Het blijft bij het stellen van diagnoses. Daarom ben ik het eens met Oosterbaan dat af en toe een journalist eens grondig dient uit te zoeken hoe het werkelijk zit. Of er behalve al die kennis die onze planeet teistert, ook genoeg kennis is die onze planeet kan redden.

19 oktober 2019 sta ik nog steeds achter deze test.

.

Torra tsunami aan woorden.

Foto Robert Kruzdlo Catalonië 2019

Snapschot van Kafkaiaans cabaret. Een gedeelte van een avondvullendprogamma: Cat in het nauw.

Quim Torra en de Catalanen onderschatten zichzelf niet, ook al laten zij zich nog steeds ringeloren door de Spanjaarden, en omdat ze in dat opzicht eens zijn met hun tegenstander, roepen ze om meer democratie, mensenrechten, zelfbeschikkingsrecht en is er geen weg meer terug: “We zullen onze idiosyncrasie steeds herhalen”. Door de republiek Catalonië uit te roepen hebben de bewoners van Catalonië de schijn mee: al geloven de meeste bewoners van de zelfuitgeroepen republiek dat ze in een schijndemocratie-republiek leven, het is tenminste iets. Dat iets brengt 500.000 mensen op de been, misschien meer, die de huidige politieke onvrijheid, onderdrukking door Spanje…, troost geeft te weten dat er een toekomst, een menselijker toekomst is, geloof aan vooruitgang voor de Catalanen. Dat er nog geen politieke vooruitgang heeft plaatsgevonden is niet erg, het is immers een geloof. Dat de Catalanen vrij zijn om voor hun vrijheid op te komen is iets anders dan onvrij zijn om meer vrijheid. De vijand Spanje is een illusie, een fantasma die de spiegel vormt van de Catalaan en dit evenbeeld moet uitgeroeid worden maar het bedrog kan niet vernietigd worden anders word je een ezel. (De ezel is het symbool van Catalonië.) Dat het aan geloof de Catalanen niet ontbreekt; het leven kan alleen geleefd worden door onuitputtelijk geloof.

“Hoezo onuitputtelijk geloof? Je kunt toch niet niet-leven, zei Kafka.”

“Juist in dat “je kunt toch niet” schuilt de waanzinnige kracht van het geloof; in de ontkenning vindt het zijn vorm.”

“De democratie, de echte democratie, de post-democratie, de Catalaanse democratie is de enige existente democratie waarvan de wereld iets leren kan,” zei ik.

“Het bedrog gedragen door meer dan 1 miljoen Catalanen, de illusie van een republiek, kan niet meer teruggedraaid worden anders stort het hele spiegelbeeld van de Catalaan in elkaar.”

“Precies, daarom moet Spanje de Catalaan een referendum gunnen, een referendum over zelfbeschikking, alhoewel, of ze daardoor mondiger worden?”

“Zelfbeschikking over hun eigen lot, bedoel je?”

“Ja, met geweld…?”

 

@Robert Kruzdlo

Wat ik ben?

Walt Whitman

…Het beoefenen van een Kunst is een uitnodiging tot leven van volkomen zelfverloochening…

Erik Satie

De boekwinkel Gulf of Maine stonk. Bezoekers roken naar afgedragen kleren, grijs, rafelig en de meeste mannen hadden baarden, haren tot hun schouders; vettig, glinsterend door de roos; een groezelige winkel, molt in het verstoft tapijt, nooit werd gestofzuigd, of soms, een keer in het jaar als het moest; in de hoeken hoopte het vuil op en overal lag geplet kauwgum. Aan de deur hing een bordje: Honden zijn welkom. De vrouwen zagen er niet anders uit; met hun gekamd haar, golvend en aan het einde pluizig, tot tussen hun schouderbladen en zo smerig kleurloos; de nicotine kon ik ruiken; haar zo bleek als papier en als er toch iemand was die enig haarkleur had, dan was hij of zij dik, met een uitpuilende buik waaronder nog net de knieën te zien waren. Een man in de hoek, zijn baard op zijn borst en in de hoeken van zijn mond resten van eten, sigarettenrook, speeksel of iets dergelijks: ik kon het niet ontcijferen, las een gedichtenbundel van plaatselijke dichters. Een volumineuze vrouw die op een tweezits stoel had plaats genomen, haar smerige bril had opgezet, keek voorovergebogen naar Don’t Hide The Madness van William S. Burroughs.

Boekwinkel Gulf of Maine was een houten gebouw zoals alle gebouwen bijna in de mainstreet; schappen vol boeken die eruitzagen of ze niet te koop waren; vuil van vingertips, een laag stof, vergeelde boekruggen en op een tafel voor de kassa lagen de nieuwe aanwinsten, onder verse stof dat van de straat kwam. Achter de kassa stond een mevrouw met de langste, stroachtige haren, koppig en niet van plan vriendelijk goedendag te zeggen alhoewel ik dat wel deed, achter een computer uit 1999. Beth heette ze en haar man; twee baarden onder zijn kin, tot onder zijn stropdas; Garry, kale kop met achter zijn schedel een hooivork haar, muisgrijs, stofgrijs (RAL-nummer 7037.) gaven je geen blik als je binnenkwam. Pas als je een boek in je handen had en wilde betalen kwamen ze tevoorschijn vanachter een boekenkast; wat ze daar deden weet ik niet maar het duurde even voor zij, Beth, naar de kassa toog en zonder iets te zeggen afrekende; ik betaalde het boek dat ik besteld had: ´Wat ben ik´ een proza werk van de componist Erik Sati, tot ik bij de deur was en met de klink in de hand hoorde ik dan weer: Have a nice day. Garry en Beth had geen enkele zin woorden met mij te wisselen, wel als een lokale dichter binnenkwam, dan werden zij jolig; meestal tientallen jaren jonger dan zij, en veegde zij het strohaar achter hun oren om de gast een wang kus te geven; hun reet zo ver mogelijk naar achter en met gesloten ogen groeten zij elkaar. Nu keken zij mij vanachter de rij boeken waar hij zich samen met haar man Garry verstopt had, of ik niets gestolen had: want waarom zou hij mij nakijken? Buiten begreep ik het: Beth had in het boek van Erik Sati – zo had ik gezien – een folder gestopt waarop, onderwijl ik naar de dichtstbijzijnde café liep, met grijze drukletters stond dat er vanavond weer een poëtry avond werd georganiseerd; het evenement, zo noemde ze dat evenement poëtry, waar een dichteres haar gedichten komt voordragen; Sharif heette ze, Sharif Elmuse, leraar, geleerde die  poeziëworkshops geeft; werkt tussendoor in vluchtelingenkampen in Griekenland en tegen fikse betaling kun je bij haar een cursus dichten volgen; ze werkt voor de mensenrechtenorganisatie tegen mensenrechtenschendingen en op de afbeelding van haar zag ik een door pijn en verdriet vertekend gezicht, dat geheel omkranst was met veel grijs haar; een verschoten jas die te groot was hing tot ver onder haar knieën. Het evenement was gratis en open voor publiek, stond er gedrukt; met verfrissende poëzie, een drankje en goed gezelschap. Er stond ook een gedicht afgedrukt op de evenementflyer:

Hartlied

Alleen zagen ze golven

Alleen zagen ze de wind

toen de huizen instortten

Alleen dromen ze van dromen

Er waren geen vogels

Er waren geen bomen

Geen handen om de ogen af te dekken.

Enzovoort, aangekomen bij het café liet ik het hierbij. Het gedicht gaat over vluchtelingen die opgelicht worden door zeepiraten, zeemaffia en die ontheemde met gammele bootjes de zee opsturen. Het gedicht eindigt met: er zal altijd een hart in zee zijn met onze namen. Ik weet niet of de vluchtelingen hiermee geholpen worden, of de vragen over hun ellende worden opgelost, een oplossing met dit gedicht gevonden wordt? Ik ging aan een tafeltje zitten met een kartonnen koffiebeker en toch, ik wilde niet maar toch las ik: onze harten in ons dragen vuisten.

Ik maakte van de flyer een prop en als een volleerde volleyballer dumpte ik de prop in een lege kartonnenbeker op een tafel naast mij. Wat een geluk.

“Wie echt gevoel voor kritiek heeft, bekritiseert niet zichzelf, maar een ander; en de balk die je in je oog hebt, verhindert je geenszinds om de splinter te zien in het oog van je broeder: die balk wordt dan een verrekijker, een hele lange, die de splinter buitenproportioneel groot maakt,” schreef Satie.

Ik denk dat ik toch maar naar de Walt Whitman grijze baarden avond ga. 

 

USA @Robert Kruzdlo   

Beroemde fotografe Lilith op boekpresentatie Robert Kruzdlo

Lilith, een van de beste fotografen van Nederland was op de boekpresentatie van Robert Kruzdlo. Het boek Tussenmens heeft inmiddels stof doen opwaaien in Maastricht en omgeving. Lilith, die in werkelijkheid Henriëtte van Gasteren heet, vindt het werk van de schrijver en beeldende kunstenaar Robert Kruzdlo uniek door zijn vele stijlen.

Lilith, is van wereldformaat en heeft prachtige fotoboeken gepubliceerd.

Artist statement People are vulnerable. They can be wounded, severely, and this is frightening. With globalization and the online revolution, our whole world can be exposed to those with evil intentions. At the same time, goodness and kindness are spreading like never before. To me as an artist, this innate vulnerability of mankind represents the ultimate form of goodness. My art, every single self-portrait, is a form of expedition, taken one step at a time, to discover the very contours of this inner vulnerability. In this way, through my photography, I am able to rediscover and rekindle my faith in humanity.

Website: lilithlove.eu

Facebook: facebook.com/lilith_love

Instagram: instagram.com/lilith_photographer

Twitter: twitter.com/LilithSelf

@Susan Wal

Signeren boek Tussenmens in boekhandel Dominicanen

Schrijver Robert Kruzdlo signeert boek Tussenmens voor Moniek van Male

Boek Tussenmens

22 September Een groot aantal bezoekers waren aanwezig in boekhandel Dominicanen te Maastricht. Schrijver Robert Kruzdlo Amerikaan die in het Nederlands schrijft heeft een uniek, post-modern boek geschreven. Zinnen soms heel bijzonder, apart en misschien niet volgens het boekje: de schrijver wilde het zo. Prachtige zinnen over de natuur rond Maastricht, prozaïsch en nooit vervelend. De natuur, de stad. Het verhaal eindigt in NewYork maar voor de lezer zover is, komen Domburg en Amsterdam voorbij.

Robert Kruzdlo is een totaal-kunstenaar. Beeldendkunstenaar, muziekaal – speelt piano en met een prachtige stem – tekenaar, theater, …een alles kunstenaar.

Samen met Moniek van Male speelde hij theater in het progamma Zomerstraattheater te Amsterdam. Tekstschrijver Robert Kruzdlo schreef een boek en wat voor een boek. Wie na tien bladzijden het boek niet dichtslaat wil meer. Zijn tweede boek ligt al klaar.

Maastricht @Susan Wal

Het Kruis van Damocles

Het Kruis van Damocles

De hel op aarde, het laatste optimisme van een kunstenaar. In kromme proza, ongrammaticale zinnen, vernietigen wij de natuur.  

Spanje 2019. De restauranteigenaar hangt met een arm over de bar en is verdiept in een gesprek. Ik wacht tot hij mij ziet. Zijn ogen kijken mij eerst doelloos aan en omdat ik daar iets aan wil doen blijf ik hem aankijken. De secondewijzer heeft bijna zijn rondje gemaakt. De klok hangt scheef.

‘O, … o god, u bent het.’

‘Ja, van de tekeningen’, zeg ik hoopvol.

Ik steek mijn hand uit en voel meteen de dikke, groffe en vieze hand hard knijpen. Ik knijp terug. Zijn dorre hand ruikt naar houtskool. Nu hij van zijn kruk is opgestaan en vanachter de bar op mij komt toelopen bewegen zijn lippen voor hij iets kan zeggen.

‘Kan ik nog eten en is het houtskoolvuur nog aan.’

Hij kijkt niet meer maar zoekt met zijn ogen millimeter voor millimeter mijn gelaat af. Een glimlach.

‘Ja u bent het. Natuurlijk ga zitten, gelukkig de houtskool gloeit nog.

‘Worst.’

‘Worst, ja natuurlijk.’

Ik loop met hem mee naar een nis in de hoek van het ruime restaurant, waar een dikke boomstronk nog na zit te gloeien. Hij slaat er met een ijzeren pook op. De vonken vliegen in het rond. In het donker vallen de smeulende kooltjes op de grond waarover hij loopt. Ik ga aan de ronde tafel midden in het restaurant zitten. Naast mij zitten drie tevreden mensen na te tafelen. Rokend en kletsend. Sigarettenpeuken liggen op het bord tussen afgekloofde kippenpoten. Een grote plafondventilator tolt boven mijn hoofd.

De tekeningen die ik aan de eigenaar van het restaurant Pi cadeau heb gegeven hangen schots & scheef aan de muur. Hij schenkt een koel glas eigengemaakte rode wijn in; met de pitjes van de druif er nog in. Door een corpulente Zuid-Amerikaanse wordt de tafel gedekt. Verschillend bestek. Olijven, brood met tomaat en knoflook. Het bezweten hoofd van Pi komt uit de schaduw van zijn houtskoolnis. Ik zie dat hij met een haarföhn de kooltjes aanjaagt. In afwachting van het eten tuur ik door een groot raam naar buiten. De zon verbleekt het plein. Een warme bries ritselt tussen de herfstachtige plataanbladeren. Een kokende blauwe hemel, zo helder als glas dat opaal smelt. Als deze zin niet kan is het toch een mooie zin die meer vertelt dan een zin als: op het plein komt voorlopig niemand. De wind schroeit ook in de nis van Pi. Ik hoor het vlees sissen.

Als er geen huisdieren waren, waren de gletsjers niet zo snel gesmolten, zeiden mijn neuronen in mijn hoofd.

Ik kijk naar de tekeningen. Jaren geleden was ik hier gestrand en al tekenend, het plein vanaf Pi’s terras, vroeg Pi of ze te koop waren.

‘Ruilen voor een worst op de barbecue’, zei ik. Pi had zijn hand op mijn schouders gelegd. Dat voelde goed. Door een hand op mijn schouder begon mijn carrière als kunstenaar. Meer dan vijftig jaar geleden.

Ik ging graag tekenen in de haven van Amsterdam. Overigens was ik altijd alleen en zag nooit een ander tekenen. Schepen aan de kaai, platschuiten, zeilboten en kleine slepers. Ik tekende boeg en achtersteven van schepen snel in een goed perspectief. Schepen op het water in allerlei richtingen, in kikvorsperspectief, ik had er geen moeite mee. Voor mij niet uitzonderlijk omdat ik mij niet hoefde te meten met welk andere tekenaar dan ook: tekenen was voor mij een natuurlijke gewone zaak. Dat dit bijzonder was wist ik toen niet. Tekenen deed ik in een soort trance. Ik wist niet eens wat mijn hand deed dan wat ik zag op papier. Mijn hoofd was heer en meester en niet de filosoof. Ik hoefde niet te weten, deed gewoon wat ik fijn vond en ik liet mijn tekeningen aan niemand zien. Als ik thuiskwam – we woonden in een woonwagen die op een plein stond in de stad – kon ik maar beter niet zeggen waar ik vandaan kwam want in de haven was het nooit pluis en van tekeningen hield de familie niet. Ja of het moest een Toorop zijn.

Vreselijke kunst vond ik. Symbolistische tekenaar. Hoofden, neuzen als messen, strak en om er een nachtmerrie van te krijgen, keek ik niet graag naar de enorme kopie van Toorop die aan de woonwagenwand hing. 

Het was op een mooie maar saaie zonnige dag dat ik op de kade gezeten met mijn voeten vlak boven het zwarte water bengelend, ik nog maar net met zwierige lijnen een aantal slepers met enorme pluimen zwarte rook uit hun schoorstenen getekend had; die een kustvaarder afmeerde aan de kade, toen er zachtjes een hand op mijn schouders werd gelegd. Het voelde of ik met geweld werd bevestigd: ik was ineens niet meer alleen. Een mannenstem zei: Weet je dat er een school is waar je tekenen kunt leren? Een akademie voor kunstenaars? Als je wordt toegelaten word je misschien een hele goede kunstenaar. Natuurlijk wist ik dat niet. Thuis ook niet. Toen ik voor het eerst mijn tekeningen liet zien met de woorden: Ik ga naar de akademie, keken ze mij aan of ik gek was geworden.

‘Je bent toch geen Jan van Eyck’, zei overgrootmoeder. Haar gezicht was niet anders als wat achter glas aan de muur hing: Toorop.

‘Esser, als je kunt tekenen als Esser, dan ja… Maar deze tekeningen die ik nu zie, dat zijn scholierentekeningen.’ Ik kon gaan.

Toen ik van de kade opstond keek ik in een zacht gezicht. Hij keek geduldig met een glimlach naar mijn tekeningen. Zijn ogen glinsterden. Het water glinsterde ook. Alles leek te fonkelen en omdat het niet genoeg was zei de man: Jij komt er wel.

Pi zet het eten voor mij neer. Een bakje slakken, meloen met ham en de op houtskool geroosterde worst. Genoeg om de aarde op te warmen. Een klodder dikke knoflook-mayonaise, Aioli, en water. Naast mij werd er nog steeds druk gepraat en gerookt. Bij ieder nieuwe zin die werd uitgesproken klom er een dikke wolk rook uit hun monden. Zonder de gedachte hoe ik de wereld kon redden begon ik te eten.

Toen ik de Rijksakademie verliet, had ik het gevoel dat ik mijn ziel had verloren: ik had tekenen geleerd. Mijn tekenziel was verschrompeld tot een prop papier. Het was verstand geworden. Mijn hand had verstand van tekenen gekregen. Een goede tekenhand hield ik ervan over. Ook was mijn tekentrance verdwenen, daarvoor was het kijken zien geworden en was ik in een soort Rembrandtiek terecht gekomen. Ik voelde de hand op mijn schouders als een atlas van bezorgdheid: wat nu? Ja natuurlijk was ik meteen aangenomen op de akademie, viel ik in de prijzen en kreeg na mijn studie een atelier waar ik mijn tekenkunsten in relatieve eenzaamheid kon perfectioneren: elke week kwam een professor van de akademie voorbij om mijn werk te beoordelen. Ik maakte vorderingen en toch liep alles achteruit, werd depressief en begon met drinken; heroïne en het liefst elk weekend een ander meisje, soms niet ouder dan zeventienjaar. Ouders kochten dan later een naakttekening van hun dochter. Alles was mogelijk, als ik maar zei dat ik de akademie had gedaan. Ook weer zo’n zin. De man van de schouderklop was rector op de akademie. Zijn naam ben ik vergeten.

Inmiddels heb ik de slakken op en ben halverwege de worst.

Toen ik de akademie verliet bedankte ik de rector met de woorden dat ik allang kon tekenen voor ik begon aan de akademie en dat de tijd op de akademie mij misschien bevrijd heeft van grootmoeders afwijzende blik; ijskoud en vol onbegrip over mijn talent. Mijn moeder zag ik bijna nooit. Die doet in dit verhaal niet mee. Ik vervolgde: nu ik dat diploma heb, zonder centen op straat sta, niet eens weet waarom iemand zo nodig moet tekenen, kunstenaarschap mij op de schouders is gelegd, ik dit allemaal als een straf zie.

‘Je komt er wel,’ zei hij met dezelfde glimlach en fonkeling in zijn ogen, als toen. Ik twijfelde of ik moest zeggen dat ik boos was, boos op mijn talent en boos op de wereld die toch naar de klote ging. Net als schrijven. Ik ben er soms doodziek van. Maar toch. Met die architectonische breinaanleg heb je gewoon niet te kiezen. En dus zit ik hier, na mijn diner, fles wijn leeg, hier naar mijn tekeningen te kijken.

Om de wereld te redden moet je voor een groot gedeelte heel veel talent uit de mensen snijden.

De rokers zijn inmiddels verdwenen. Het stinkt. Alles stonk. Misschien stinkt buiten de brandende zon naar lava? Tot ik plotseling word opgetild, zomaar van mijn stoel, ik zweefde even. Vrolijk werd ik ervan. Terug op aarde kijk ik nog eens goed naar een tekening, een portret van Pi, de houtskool man, de in de zinderende hitte van de nis verstopt elke dag het vlees staat te rosteren. Zijn ogen in een krater van een vulkaan. Hier in dit dorp verstopt in de Pyreneeën, aan een kokend plein met verbranden platanen en enkele huizen als broodroosters. De aarde stinkt naar verbrand stof, de cactussen hangen als slappen schoenzolen aan de bijna honderd jaar oude stam. Verschrompeld als een mummie. Hun vruchten zijn op de grond gevallen en de bramen zijn niet groter dan een knop van een speld; geen zwaluwen meer in de lucht, dode vliegen op de vensterbank, ik ben er klaar voor. Het gras onder mijn voeten breekt als glas. Ja ik zie het goed. Elk blad van de plataan valt als glas, of als een dun plakje hout, ritselend over straat schuifelt het tussen de terrasstoelen. Ik hoor de hitte, Pi zijn blik, de klok, de tijd om op te stappen. Onderwijl kijk ik nog steeds naar mijn tekening.

‘Waar kijk je naar, zegt Pi als hij met het wisselgeld terugkomt.

‘Ik zie ineens weer alles terugkomen,’

Pi begrijpt mij niet.

‘Ik zie, kijk in mijn hoofd,’ probeer ik.

Pi neemt een ratafia.

Onveranderd is alles gebleven, ook al veranderen dingen, onveranderd zal de wereld naar de kloten gaan, wat zeker het geval is en omdat er geen redding mogelijk is, heeft altijd de zon om de aarde stil gestaan; is de natuur doodmoe al blijft de tijd doortikken, de wijzers rondje naar rondje in cijfers schuilen, blijft de tijd cyclisch stilstaan, en omdat de aangegeven hand die ooit op mijn schouders drukte er nooit is geweest, ziet mijn brein dezelfde lijnen, welke richting die dan ook opgaan, terug en naar voren, vroeger en nu. Ja dat zag ik.  

Foto Robert Kruzdlo @rkruzdlo       

ARTHUR VAN AMERONGEN

Arthur van Amerongen als kind

Je jaagt altijd een hondse kick na.

Hoe vaak hebben we elkaar niet gepasseerd opzoek naar een genotmiddel. Ik pieker mij suf. 1967 en of later? Zoek een foto op google en misschien zal je mij herkennen. Het Lieverdje, het Spui, of café Zwart, daar zag ik je geregeld. Een bokkige muilezel net als ik. Zonder gezonde kloten neuken omdat dit nu eenmaal genetisch in ons zit. De evolutie heeft dit zo bepaald. Heeft niets met de man of vrouw te maken: wrakken zijn we nu.

De sleur van het gezin waar je uit voortkomt, heeft de architectuur van je hersenen bepaald. De omgeving-neuronen heb je door alcohol en drugs vernietigd. Maar, die neuronen blijven maar terugkomen. Kapotte relaties, vrouwen die er later allemaal eender over dachten: je bent een Peter Pan zonder hersens. In het genetisch ontwerp kan geen verandering meer plaatsvinden. Je blijft wie je bent.

Het taaltje dat je hakkelend en hortend, het Amsterdams van vroeger, de onvolledige zinnen en kopieën van gedachtes uitstoot; het oude provotaaltje, bombast van vrijheid. Ik herken meteen Diogenes in de ton. Niets accepteer je van een ander, dat is de ‘kick op een ander.’ Honds, hondse filosoof, met de moed der waarheid die met een zaklantaarn opzoek naar moeder de vrouw, dé mens. Je lijkt heel veel op mijn verzonnen evenbeeld: ook ik ben kynisch en niet cynisch. Heb jij dat ook, het syndroom van Diogenes? Ze zeggen dat je geen agenda kan maken met mensen, alleen met honden. Maar honden zeggen niets. Parrhêsia flower power, all you need is dogs. Dit lees ik allenmaal in je boek MIJN MOEDER IS GEK.

Mijn moeder was ook gek.

Zij was een duivelse en engelachtige vrouw, een moeder als een kind; anti Wendy-complex, dierentemster en honds: mannengek. Lilith. Jouw moeder had wel een Wendy-complex. Mijn moeder offerde haar egotisme op voor egoïsme. Zwaar leven. Jij schrijft over je moeder alsof ze niet dood is, levend begraven bedolven onder woorden, met een directheid van een fysisch wonder op een apenrots. En wordt het nat organisch ingedronken, door roeien en ruiten gaan. Lethargische toestanden. Wie ben je nu eigenlijk Arthur van Amerongen? Een architectuur van een bedwelmende parrhêsia brein of een arrogante kwast?

Gaat je volgende boek over wie ben ik… ?

@Robert Kruzdlo

1999 even oud als nieuw

Klikken

TROUW 11 juni 1999 Het gebod ‘gij zult niet klikken’ is een van de belangrijke richtlijnen voor ons gedrag. Het moet wel heel raar lopen wil iemand aangifte doen bij bevoegd gezag wanneer hij iemand een overtreding ziet begaan. Pas als men het héél bont heeft gemaakt, vindt de politie een zaak de moeite waard.

Er rust een taboe op klikken en daar profiteert bijna heel Nederland van. Van goed gebekte marktkoopmannen, taxichauffeurs, agressors in tram en metro tot politici.

Ik ben de vader van een van de twee dove meisjes die in maart in een Amsterdamse metro werden mishandeld door enkele jongens. Andere mensen in de metrocoupé zagen het gebeuren, maar traden niet op. Mensen zijn bang, want als de overtreder verraden of aangesproken wordt zal zijn reactie onbeschaamd zijn.

Maar klikken is niet verkeerd. Het kan kan misschien een bijdrage leveren aan herstel van de maatschappelijke balans. Allereerst moeten we het woord ‘klikken’ uit de negatieve sfeer halen en het plaatsen binnen de burgerzin. Ook kan klikken alleen lukken als men het uit de anonimiteit durft te halen. Onverschilligheid tegenover asociaal gedrag zal zich op den duur moeten wreken.

Dit schreef ik in 1999. In mijn boek Tussenmens klik ik erop los. Ik voel mij als Diogenes in een ton; honds en bloed-eerlijk. De wereld in Tussenmens is des duivels en engelachtig. Ik moest aan dit bovenstaand artikel denken toen ik aan dit boek schreef: wij zijn allemaal tussenmenselijk aan het klikken… . Toch¿

Tommy Wieringa pennen

Toen ik het boek ‘Dit is mijn moeder’ gelezen had kon ik deze gedachten niet uit mijn kop verbannen: Dit is een moeder van papier, van letters, de Judas Taddeüs heeft zijn werk gedaan. (Bladzijde 122.) Het boek is zonder vlees en bloed; als een levende steen brengt de schrijver een ode aan het rationalisme, op een uitleggerige manier van een schoolmeester.

Het meeste plezier beleefde ik aan de stijl, de vorm waarin dit boek gegoten is. In ijs. Alsof de schrijver, op zijn Salteriaans, in afwachting van zijn verraad schuld bekent door de droom binnen te stappen: alleen de dingen die beschreven zijn, zijn echt. ‘It comes from life, but it’s not life’ had Salter toch een keer gezegd?  

Het bungelen aan de rand van het bewustzijn, in onzin gekeerd, gebruikt de schrijver melodische stoplappen gedrenkt in uitgewrongen zielenpijn. Het boek is van het begin tot het einde een dwarrelend blad, geschreven met dertien of meer, verschillende pennen gedoopt in polderazijn. Daarom vind ik het boek goed geschreven, niemand doet het hem na.

Schaamte overheerst, vooral over de diepe rafelige randen waaruit de zoon het leven van moeder bijeenveegt. Hij schrijft met een aplomb, egotistisch – waar zijn de andere familieleden in het boek – met een vurig verlangen over een vruchteloos leven met zijn moeder die misbruik maakt van de aanwezige zoon als schrijver: ze verkoopt zijn boeken in haar winkel en signeert ze zelf. Met een schrijver in de familie is er geen privé… . Was die er dan?

Nooit heeft de schrijver zich kunnen inleven in de moeder. Ze mochten elkaar niet.

Auw

Auw

Miauw

Miauw

Auw auw auw miauw

Dit gedicht, van Joseph Walter Zlo, schoot door mijn hoofd toen ik op bladzijde 105 aanlandde. Conversatie als het mauwen van katten in de nacht. Nu het staat gedrukt. Katten kunnen maar twee dingen, klauwen en krollen… .

Zijn moeder was rücksichtslos mannenvriend, ten koste van de ruimte van een ander. De zoon, zoekt al schrijvend zijn moeder in dunne- en dikke lijnen van gedachten. De dood van de moeder heeft zich in een wonderlijke stijl de handen van de schrijver gewrongen, die ik echt Hollands vind. Ergens, nergens zit de schrijver op zijn zielenpijn te broeden. Hij durft niet. Hij kan het niet. Het is een schip dat is vast komen te zitten in de modder, de prut.

Ik moet eerlijk zijn: dit blog gaat ook over mijn moeder. Mijn moeder was nog erger dan de moeder in het boek ´Dit is mijn moeder´. De  foto’s van moeder Tommy zijn vertederend en hoe opgewekt ze ook uit haar ogen wegdroomt, weg van haar last, ze blijft een wereldvrouw zoals alle wereldvrouwen. Het is een gemoedsaandoening van een andere planeet die mij beroert. Ze, Tommy´s driftige moeder, had zeker naar Mars gewild als dat toen had gekund. Ik kan het weten. Dit soort moeders kunnen daar beter gedijen.

Had ik maar een moeder zoals Tommy Wieringa, uit steen gehakt splijtend ijzer. Zijn poging haar te beschrijven was een liefdevolle zoektocht, onvervulbaar dat wel, terug naar de baarmoeder. Het is een gortdroog verhaal geworden. Een vlucht regenwolken zonder tranen.

De schrijver had zijn verhaal moeten vertellen aan de kunst en niet aan de lezer.

Tommy Wieringa eigen uitgave. Logo Floris Tilanus! (Vliegtuig.)

ISBN 978 90 828 830 08