Pep Iglesies

Tekening Robert Kruzdlo van Pep Iglesies die op februari 2018 voor het laats zijn strijdend Catalonië zag.

Postdemocratie.

Waartoe zijn wij op aarde? zei Pep. Omdat wij er niet vanaf kunnen, zei ik. Nee, zei Pep, om stilte te verspreiden.

Vanochtend hoorde ik dat Catalonië de enige ‘postdemocratie’ in Europa heeft. Misschien heeft Schotland en Canada er ook een, maar Catalonië is als enig land een ‘post-democratie’ zei een van de advocaten van een Catalaans ex-politicus die in de gevangenis van Madrid meer dan een jaar in voorarrest zit. Hij was met anderen betrokken tot een poging tot Catalaanse afscheiding. Postdemocratie dat betekent dat de ex-politici die illegaal de republiek Catalonië hebben uitgeroepen, een afscheiding met Spanje willen – all my money goes to Spain – een eigen staat willen stichten waar alleen Catalaans gesproken wordt; alles wat in het blikveld van ras Catalanen Spaans is, verwijderd dient te worden en dat de ongehoorzaamheid die hiertoe leidt, geen rebellie, nog revolutionair is, geen geweld gebruikt wordt en vreedzaam: postdemocratisch is. Dus. De Spaanse justitie wil nu dit ideaal beeld, dit politiek proces breken, de grond instampen…, zei Puigdemont de ex-president van Catalonië die gevlucht is naar België. Spanje is een vreselijk land, Spanjaarden deugen niet en ze begrijpen niets van het onafhankelijk streven van de zeg 48 procent Catalanen die iets anders willen dan gehoorzamen aan de grondwet. Vandaar een nieuwe democratie: de postdemocratie. Volgt u mij nog?

Geen enkel in voorarrest zittende Catalaanse ex-politicus, projecterende identiteit politicus kan verkroppen dat hun democratie door Spanje om zeep wordt gebracht. Zo ongeveer begreep ik het vanochtend. De bak in, met jullie ongehoorzaamheid. Stelletje fascistische postdemocraten. Ik hoor nog een Catalaan roepen, alweer een paar jaartjes geleden: er komt een revolutie. Nu hebben ze een postdemocratie.

Niemand heeft goed opgelet, ook de kranten niet, op wat de advocaat van een van de gedetineerden zei: we leven in een postdemocratie.

Een nobel streven om de onafhankelijkheid via een post-democratie te bewerkstellen en de wet, de grondwet niet te gehoorzamen. Stoute meisjes en jongens zijn het.

Geef mij maar de gastvrijheid die ik overal en elders, over de gehele wereld geniet. De stilte en niet de herrie van weer een nieuw soort democratie of postdemocratie. Er zijn altijd mensen de dupe.

Ik wil in Catalonië wonen zonder de eis te moeten kiezen voor ongehoorzaamheid of voor de minderheid die zich niet wil afsplitsen van Spanje. Laten weer eens leren wat gastvrijheid is. O nee, sorry post-gastvrijheid of toch via de sociale media voor de post-post-gastvrijheid gaan? Democratie bestaat niet!

Ik kijk uit naar een post-post-democratie en waarschijnlijk zit ik dan gevangen in Catalonië.

@robertkruzdlo

Flowgedicht en flowgolven

klaproosflow

De Haarlemse Dichtlijn organiseert eens per jaar op 30 mei een poëziefestival in het centrum van de stad. Een grootschalig poëziefestijn met 100 deelnemers, opgesplitst in een aantal podia in de stad en gepresenteerd onder regie van een presentator uit het kunstenaars circuit.

Struikelend beklom ik het podium. Oeijjj…, klonk er uit dichtersmonden of anders die van de luisteraar. Ik begon met uitleggen wat een ‘flowgedicht’ is en keek de zaal in. Strakke gezichten. Aan een flowgedicht, zo zei ik, moet je niet te veel schaven. De krullen vallen van het gedicht waardoor het alleen maar slechter wordt. Het is een kunst zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke tekst te blijven. Daar is talent voor nodig. Als je iets verandert doe dan het flowgedicht niet te kort.

Ik keek de zaal in. De gezichten stonden nog strakker. De ogen, hoewel op mij gericht, schenen op een heel andere horizon gericht te zijn.

Om de aandacht op het begrip flowgedicht te vestigen had ik verteld dat ik vroeger in de digitale krant TROUW elke dag een flowgedicht met een tekeningentje erbij plaatste. Ik keek nog eens de zaal in. De oogst was er niet na. Niemand zat in een flow. De horizon achter mij scheen ook te zijn verdwenen.

Dus begon ik:

de bootjes op zee hebben snorren

stemmen komen aangespoeld

in golven vastzuigen op het strand

naakt zijn alle mensen en duiken

als op een ansichtkaart blauw

zo blauw de lucht in zee verzengt

Aan dit gedicht heb ik nauwelijks iets willen veranderen, …was het niet dat het in de dichtbundel verkeerd is afgedrukt. Derde regel, eerste strofe, is ‘in’ in een ‘In’ veranderd en ook nog eens heeft de drukker gemeend het woordje ZICH tussen ‘golven en vastzuigen’ te moeten plaatsen. Kijk, nu begrijp ik waarom toehoorders nog niet weten wat een flowgedicht is. Want ZICH hoort daar ook niet. Stemmengolven kunnen zich niet vastzuigen, maar zeegolven, water wel.

Die dag hadden we samen op een flow kunnen golven.

Robert Kruzdlo

Haarlemse Dichtlijn 2019

ISBN/EAN: 978-90-829912-1-5

Bang voor muggen. Catalaanse Catweazle.

Tekening Robert Kruzdlo van Onno Boerwinkel kunstenaar

Hoofstuk uit boek Perle van Robert Kruzdlo.

Javier Casademont da Rose Catalaanse Catweazle.

Wat een beminnelijke man, alhoewel hij er niet uitzag. Hij had wat weg van Catweazle uit de Engelse tv-kinderserie. Een uit de 11e eeuw afkomstige, incapabele, aandoenlijke zonderling die in de 20e eeuw belandt. Niemand sprak met hem. Hij hield afstand van iedereen, tot op het laatste moment 30 augustus 2016. Hij was niet van de snapchatgeneratie, had geen telefoon, keek geen televisie of welk ander elektronisch ding dan ook. Alleen een oude Dualdraaitafel, waarop vooral muziek uit de zestiger jaren werd afspeelde.

Toen ze hem dagen niet meer in de dorpswinkel zagen klopte een van de dorpsbewoners voor het eerst op de voordeur. Die werd niet opengedaan en dus werd de brandweer gebeld, die met een ladder, zich toegang wilde verschaffen tot de woning, via een wc-raampje. Toen dat niet ging via het balkon. Inmiddels stonden er voor zijn huis tientallen mensen. De luiken werden met een koevoet gelicht en er werd een ruit ingeslagen. Ze vonden hem in zijn leesstoel met op zijn schoot het boek De naakte Nietzsche. IJskoud. Een beetje naar een kant geheld, volgens de brandweerman. Hartstilstand, en wat een bende, wat een rotzooi, vies alles onder een dikke laag stof. Het bestond toch niet dat je zo kon leven. Met een deken over zijn hoofd hebben twee brandweermannen hem met stoel en al uit huis gedragen, de ziekenauto in.

Ik leerde hem kennen in 2011. Hij stond in de dorpswinkel, op enkele centimeters voor een blikje zalm, haalde het van de schap, hield het vlak voor zijn bril en zette het terug. Elke dag stond en wandelde hij solitair tussen de schappen op en neer. Ze lieten hem betijen en hoogneuzig leek iedereen hem te mijden. Waarom?

Dat wilde ik weten en dus nam ik mij voor hem op een dag aan te spreken. Ik was wel eens dicht in de buurt geweest en probeerde hem aan te kijken. Hij stonk, zijn haren vlassig, vuile bril, dik als een vergrootglas. Altijd een rotting bij zich, jas aan, ook op warme dagen. Bij een vluchtig oogcontact vermeed hij mijn groet. Hij wilde niet opgaan in een begroeting met het gevolg dat hij mij iedere dag als hij mij zou zien weer moest groeten. Ik moest iets anders verzinnen. Hij zou zich nergens aan moeten bezeren als ik hem kon benaderen. Ik diende net als al die andere dorpsbewoners te verdwijnen en op te gaan in een soort behang. Hij was een type tussenmens. Hij zat in een glazen tabernakel en ik kon hem niet zomaar als een shuttle benaderen. Onschokbaar, en hij zou je bespugen als je iets van hem wilde. Wat wilde ik van hem? Hij wilde natuurlijk zijn onbereikbaarheid bewaren of …, was ik net als hij ook een grensfiguur die opviel? Helemaal bereiken kon misschien niet, maar ik wist intuïtief dat hij niet geheel gesloten was. Ik wist nog niet wanneer ik hem zou aanspreken. Zou die dag er wel komen?

Het boek De naakte Nietzsche dat hij hield vastgeklemd, was geschreven door mijn vader. Vlak voor zijn zelfmoord bij Avanti gepubliceerd. Er waren een paar honderd van verkocht. Vader: Ik zie een muur van onwaarheden, rotte gebeurtenissen, een doolhof van leugens en een corrupte democratie om mij heen, daarom ben ik een eenling zonder achtergrond? Die vrijheid, die muur, beschermt mij. Men kan van mij niets verwachten. Ik lieg terug. Tussen de rotte waarheden, de zoektocht naar een ‘nimmer te realiseren één voor allen, door allen democratie’ is er ook altijd een groep die de dupe van de meerderheid wordt. Er zal altijd onderdrukking en uitsluiting zijn, geweld tegen de singuliere ander, de eenling. Als iedereen gastvrij zou zijn heb je óók een democratie voor iedereen, toch? Maar niemand houdt zich daaraan en dus bestaat democratie niet. Dat schreef vader in De naakte Nietzsche. Contacten met de buitenwereld onderhield mijn vader niet. Hij zoop, kwam in het ziekenhuis terecht en riep om de dood. Ik zie hem nog liggen, paars van hoofd tot aan zijn vingernagels. Zuurstofmasker op en dan, onderwijl de zuster zijn lippen met een nat doekje dept mompelt: ik wil dood en ben een getraumatiseerde klootzak. Hij snakte naar adem. Allerlei piepgeluiden.

Vader stierf, zoals al op de lagere school was vastgesteld: dom! Niet iedereen kon slim zijn. Zijn dom-zijn dat was de wereld ook. Dom en wel, dronk hij tot hij er kierenwiet van werd. Ik ben nog een keer aan zijn sterfbed geweest. De kamer, waar hij dagen roerloos op bed lag, was donker. Toen ik de deur wilde sluiten stond er in de hoek van de kamer een vrouw op, die bij het passeren vluchtig zei: Hij zal weldra, uit zijn lijden geholpen worden. Hoe? Ze was al weg.

Ik hield uren zijn hand vast en probeerde een gesprekje. Na wat aandringen zei hij weer: Ik wil dood. Het leek of hij opknapte.

Ik heb nooit geweten hoe ze hem hebben laten inslapen. Maar ook ik zoek nog een thuis.

@robertkruzdlo

Hoe kun je een leven veranderen dat geen kop en staart heeft?


Copyright ©2019 Robert Kruzdlo Wikitaxis journalist en Jordi Tarda

Ulysses een verhaal zonder kop en staart. Ulysses het magnum opus van James Joyce, gaat strikt genomen over een man die een wandeling maakt door Dublin. Marguerite Duras doet in ´La vie material´ ook geen poging een verhaal met een begin en eind te schrijven. Ook ik doe geen enkele poging om een net afgelijnd verhaal te vertellen waarin ik de lezer van beginpunt a naar eindpunt b leidt. In plaats daarvan parachuteer ik mijzelf en slinger tussen invallen door opweg naar een plotloos einde. Hoe kom ik hier nu op?

 
Deze gedachten en meer schoten om 6 uur vanochtend door mijn hoofd. Ook het boek ´De zwarte heer Bazetub´ van Albert Vigoleis Thelen (1903-1989) is een van loszand gebouwd zandkasteel. Althans dat maak ik ervan. Nog niet goed wakker misschien? Ook dit boek heeft geen plot volgens de literaire uitgewrongen regels: gelukkig maar.


Soms denk ik dat politici ook geen kop-en-staart verhaal hebben, want ze weten nooit hoe het eindigt laat staan hoe het allemaal begonnen is. Ze zijn wandelende praatpalen die ik op mijn reizen tegenkom. Je ledigt je nood en als ze aardig zijn helpen ze je met knikken. Zo ontmoette ik in Barcelona Jordi Tarda, congreslid voor Catalonië in Spanje. Ik hou van die man. Waarom is die geen president van Catalonië?


Ook ik heb een leven zonder kop en staart. Marguerite Duras: “Mijn leven is een nagesynchroniseerde film met een slechte plot, slecht gemonteerd, slecht gespeeld, kortom, een vergissing. Een detective zonder moord, zonder politie of slachtoffer, zonder motief, een flutdetective. Het zou een echte film kunnen zijn, maar nee, het is namaak. Probeer dan maar eens te weten te komen wat je zou moeten doen om dat te veranderen.”

Copyright ©2019 Robert Kruzdlo

Boek Robert Kruzdlo

Schrijver Robert Kruzdlo New York 2018

Literair debuut van beeldend kunstenaar Robert Kruzdlo: TussenMens.

Later dit jaar zal de eerste roman van beeldend kunstenaar Robert Kruzdlo verschijnen onder de titel ‘TussenMens’ bij Uitgeverij TIC in Maastricht.

Robert Kruzdlo werd in 1949 geboren in New Jersey. Hij studeerde aan de Amsterdamse Rijksakademie van beeldende kunsten en exposeerde sinds die tijd in diverse landen, waaronder de VS, België, Frankrijk, Spanje en natuurlijk Nederland. Hij woont op dit moment in Spanje.

‘Het woordje Ik, is een woordje dat aangeeft waar, wat en wie ik ben? Zonder het woordje ik besta ik niet. Maar, …als TussenMens ben je meer dan een ik alleen. Als TussenMens, kunstenaar, moet hij zich over dit enge tussengebied uitspreken; een nog niet verstandelijk, pas net ontdekt en beangstigend tussengebied. Een kleine evolutie. ‘

TussenMens is gebaseerd op zijn levenservaringen en kennis van boeken, gesprekken met overgrootmoeder, oma en moeder en de geschiedenis van de kunsten. De kunsten horen thuis in het tussengebied van beleven en kennis. De kunstenaar moet daarover zijn verantwoording afleggen.

De roman is geschreven als een stream of consciousness, als een becoming of age-boek van een zelfdenkend, zelfscheppend en zelfstandig opererend individu. Met een eigen stijl, een eigen kijk en een eigen verhaal.

Wilt u meer weten over het boek of de auteur, neem dan contact op met Uitgeverij TIC, 043-3262414, of kijk op www.uitgeverijtic.nl

Koeien ogen

Het lijkt niet op een vette koe

Maar het is een magere koe

Hij herkauwt lucht, kost

Penshonger, botten

Gemakzucht bijeengehouden

Zak, is het kijken

Klotsoogig werelrond

Net als ik mensenmoe

@robertkruzdlo

Zeg niet dat ik niet gevoelig ben.

Schilderij Robert Kruzdlo 1995 Tobbe en de wet van Archimedes

Geen namen, datum of jaartallen in het dunboekje van een schrijver die zo dun is als een ?

Ik mijmer over zijn dunboekje: Mijn blik dwaalt naar binnen, die staat op oneindig en ik zie in mijn hoofd de herinneringen voorbijtrekken als een film. In het oneindige kijk ik met mijn biologisch oog naar een film. Filmblikken van herinneringen worden opengetrokken. Vreugde en verdriet: a smile and a tear. Uit het rag van mijn herinneringen geregen, komt mijn ziel, gevangen in mijn brein, tevoorschijn. Ik denk nooit wie ik moet zijn, onzichtbaar blijft die ik, nooit zal ik worden dat onzichtbaar verborgen blijft. Wat een poppenkast om te denken dat je iemand kunt worden, terwijl je al iemand bent. Ben gewoon wie je bent.

Er is lust en onlust dat het leven vult. Het leven is narcistisch en ondanks dat, egotistisch genoeg om voor een ander te zorgen. Je wordt pas gelukkig als er door het brein een homeostatische balans gevonden wordt.  

Er kwam een gevoel van onbehagen in mij op toen ik het dunboekje voor de derde keer las, geschreven door een schrijver zonder naam. De schrijver beschrijft zijn naamloze jeugd als een blonde, vrolijk, ondernemende kleuter die, zoals alle kleuters de wereld graag zien als een film. Op het einde van het boekje blijkt het geen leuke film te zijn: door bergen stresshormonen, moet de protagonist voortdurend op zijn hoede zijn en door een innerlijke aangeboren kracht en veerkracht te tonen, creatief met choreografie van beleefdheid, lukt het hem te overleven. Zijn moeder vertelt hem, zittend in de wastobbe, die tot de rand met warm water gevuld is, als hij nog maar net bewust is van zijn omgeving, over het alcoholisme van de buurman, de poppenspeler.

Even later wordt in het dunboekje zijn zusje overreden. (Sic) Aangereden dus. Hij had een voorgevoel. Thuis lopen de spanningen hoog op maar een ruif van liefde redt de situatie:… er was veel liefde bij ons thuis. Een lange rij kleine vogels trekt, in het park van het Rijksmuseum voorbij, er staat een statig hek rond een park. De buurman glazenwasser is weer eens dronken, delirium hoort de kleine jongen zijn moeder zeggen, hij is bang. Troost. Hij bezoekt de loodsen waar paarden in staan? Natuurlijk moet dat paardenboxen zijn. Ik ken de plek waarover hij schrijft: De Hollandsche Manege de oudste rijschool van Nederland, als kunstenaar heb ik daar tientallen tekeningen gemaakt in 1975

Het jongetje van AANGERAAKT trekt aan de jas van vader die zich in de kroeg om de hoek bedrinkt. Toch blijft hij dromen hoe fijn de dingen nog kunnen zijn. Warm en sfeervol. Op een nacht sluipen moeder, zusje en hij het huis uit. Hij heeft al zijn verdriet, pijn in zijn reiskoffertje gestopt. Ze trekken in bij opa en oma. Ruziënd komt vader verhaal halen, het loopt gelukkig met een sisser af.

Het jongetje luistert gesprekken af en ondanks dat hij niet alles kan afluisteren moeten hij en zijn zusje toch overleven. Elke dag houdt hij daarom zijn oren en ogen wijd open. Stiekem bespioneert hij de wereld. Dan wordt op een dag broer en zus gescheiden. Onrust, achterdocht, ze worden van hot naar haar gesleept. Maar toch, feest blijft het want er is schoolmelk en er zijn gymnastieklessen. Toeven…, ja het staat er, toeven van veilige plekken, zijn er nog steeds. Het is wachten of uitstellen van het wachten op… .

In het dunboekje staat heel veel ‘me en mij.’ (In plaats van ik.) Ik bedoel zo lees ik het allemaal, een ander zal er misschien een traan om laten? Hij eet per dag drie keer vla, een tante snijdt de grote Duitse broden boterhammen. Sic. Van grote plakken Duits brood maak je boterhammen en dat wil bleeksnuitje wel. Soms heeft hij een bleekneusje* niet alleen van verdriet en wordt hij gepokt, gemazeld, gemangeld, beschimpt, belasterd, voor schut gezet en zo kan ik nog een tijdje door gaan. Hij trapt op de fiets zo hard hij kan al zijn tranen eruit.

Hop, hij en zijn worden naar het (kinder)internaat gebracht. Hij heeft een engelenstem, zegt de pastoor en een engeltje op zijn schouder zegt moeder. Er wordt gebeden, God aangeroepen en de heilige communie gedaan. Vader blijkt een boef te zijn, hij steelt het horloge van zijn zoon eerste communie. Zus en broer knappen gelukkig weer op. Schoolresultaten zijn slecht, toch voelt hij, de schrijver van dit dunboekje, zich veilig op het internaat: dat komt door de macht van de aarde, schrijft hij op bladzijde 42. Moeder en vader zijn al die tijd vaak de afwezigen. Ja, je gelooft het niet, hij is ineens weer een kleurrijk middelpunt aan de hand van zijn beide grootouders.

Terug op school wordt door een complex aan imago het leven gered door creativiteit: hij schrijft samen met twee klasgenoten een eindtoneelstuk. Klas 6 dus. Als hij zeeman wil worden, moet hij zijn zegeningen weer gaan tellen. Het loopt op niets uit, ook om door de hand van God te worden aangeraakt gebeurt niet. Einde dunboekje. Nergens een datum of jaargetal.

Hortend zijn het allemaal narcistische beschrijvingen, ondanks de ellende van voortdurend op je hoede moeten zijn, schijngevechten leveren, zelfredzaamheid, een klotsende zee op aarde. Wat de macht van de aarde is lees je nergens. Misschien de hardheid en zachtheid ineen?

Ik wil mijn geld terug. Dit boekje kun je niet op deze manier op de markt brengen. Ik voel me als lezer belazerd. Gelukkig, zo schrijft hij op de laatste bladzijde, heeft de ‘me en mij’ veel verzonnen en ik weet zeker dat hij zijn geluk heeft geconsolideerd? Er is een grote ruif aan geluk… .

Omdat ik de schrijver toevallig ken en eigenlijk veel meer van hem weet dan hij ooit in een ander dunboekje kwijt zou kunnen, voeg ik dit nog toe: In al de ellende die hij beschrijft voelde hij zich in hoog eigen persoon op een of ander manier altijd goed. Zo heb ik hem X ook gekend. Of hij zich structureel nu mínder of méér voelde dan een ander, elk tekort of te veel was ego strelend. Ik weet er alles van, ook ik ben een narcist en balanceer tussen de diepe dalen en hoge pieken op een slap koord. Ook ik val niet te pletter op aarde.

Nu kan de schrijver pas echt beginnen te leven, want het leven alleen door een kijkgaatje bekijken is ook niet alles. Mijn tong jeukt om hem dit te vertellen maar ja…, van die zelfgenoegzame ellende kan ik het niet winnen, ook niet met een goed gesprek? Ik ben geen Hamlet.

*Bleekneusje was een term die tussen 1883 en 1970 gebruikt werd voor een kind dat door de gevolgen van armoede, ondervoeding, tuberculose en andere gezondheidsproblemen in een zogenaamde vakantie- of gezondheidskolonie werd gehuisvest om lichamelijk aan te sterken en ook psychische meer op krachten te komen. Wikipedia.

@robertkruzdlo

AANGERAAKT

Aan en uitgeraakt.

De wind snerpt door de kieren van het hout. Op het gasfornuis begint de waterketel fel te fluiten, de dop schiet van de uitschenkopening. We schrikken. De wastobbe, een ovale ouderwetse teil, wordt met heet water bijgevuld, tot het water in de wastobbe lauwwarm is: niet tot de rand, volgens de wet van Archimedes, want anders klotst het badwater over de vloer, op aarde. Voor de zekerheid wordt er een handdoek voor de wastobbe gelegd. Eerst gaat mijn zus, dan mijn broertje en dan pas ik de wastobbe in. Als laatste was ik me in grauwig oud zeepsop. Buiten worden we afgespoeld met helder water uit de regenton. De zon aan een wolkenloze blauwe hemel schittert tussen de bomen, de bladeren trillen door een warme bries die van de heuvels rolt. Niet dat dit een intiem moment is, waar ik later intens naar terugverlang, maar ik kende in die tijd nog geen schaamte: om de volgorde, en, om mijn blootheid. Alleen, dat mijn zus als eerste aan de beurt was en ik als laatste mijn billen zelf moest wassen maakte mij op een gegeven moment apathisch voor de volgende wasbeurten. Wie zacht met een washand over mijn rug waste was natuurlijk overgrootmoeder, soms moeder, maar die wreef ruw, al rokend, groene zeep door mijn haar en wierp na eerst een nieuwe sigaret in haar mond te stoppen, ongeduldig de handdoek naar mij toe. Nee, een lach die op haar lippen weerspiegeld kon worden, kon er niet van af? Een tijd van wind, vuur, water en aarde.

Dit zijn de oudste…, door herinneringen aangeraakt, belevingen.

Deze tekst is eigenlijk een pastische van het dunboekje Aangeraakt

@robertkruzdlo

Filosofen geven nooit antwoord.

Herontwerp Robert Kruzdlo

Onevenredigheid in gelijktijdigheid.

De Franse filosoof Maurice Blanchot: ‘Wat is dan het verschil tussen twee levens, waarbij de een liefde zoekt die hem ontzegd wordt en de ander, als door een wonder begenadigd, voor de liefde geschapen is, alles van de liefde weet, hen oordeelt en veroordeelt die in hun poging lief te hebben mislukken, maar, van haar kant, zich alleen aanbiedt om (voor geld) bemind te worden, zonder ooit een teken te geven van haar eigen vermogen om van de passiviteit naar de grenzeloze passie te gaan? Misschien eindigt door deze niet elkaars spiegelbeeld, deze ongelijkheid de nasporing van de lezer, omdat ze ook de auteur ontgaat: ondoorgrondelijke mysterie.

De auteur is Marguerite Duras 1914 – 1996. Haar boek De ziekte van de dood, Parijs novelle 1982.  Maurice Blanchot zegt dat de schrijfster het verschil niet kan opheffen, zelfs de liefde die zich laat betalen stokt. Ik blader terug in het boek.

…Zij zegt: De ziekte heeft u steeds meer in haar greep, ze is al in uw ogen, in uw stem.

…U vraagt hoe het gevoel van liefhebben zou kunnen ontstaan. (…) Zij zegt: Nooit uit een wil.

…In het donker lijkt het u plotseling of u het waanzinnig geschreeuw van de hongerige meeuwen nooit gehoord heeft.

Toen ik deze novelle las moest ik aan vrouw L. denken waarmee ik jaren samenwoonde zonder te delen wie en wat ze was. Een vrouw die in twee lichamen leefde. Afhankelijk hoe haar benen lagen of stonden. Te veel serotonine vagina, een tabernakel van vlees of opgedroogd, aards verlangend naar nieuwe vriendschappen. In haar ogen kon je de biologische verschillen zien die haar in de greep hadden. In haar stem kon je horen in welke huid ze zat. Niet uit eigener wil. Een andere wil die met haar deed wat het wilde en als het niet wilde gebeurde er niets. Liefde kon niet uit een van die willen ontstaan, hooguit vriendschap. En die schreeuw in haar? Die hoor ik nog. Verloren in het zwart. Ook zij zou de situatie niet kunnen oplossen. U weet waarom ik dit zeg. Jullie hebben de ziekte van de dood: Inmiddels heeft u die liefde kunnen leven op de enige wijze die voor u mogelijk was, haar verliezend vóór zij er was. Het blijft een mysterie.

La maladie de la mort. Minuit (Parijs 1982)

Vertaling: 1984 stichting Hölderlin ISBN 90 71044 04 1      

@robertkruzdlo 

Boek van Sally Rooney is Fysiekliteratuur.

Deuren ingeblikt literatuur

Robert Kruzdlo 8 mei 2019 Boek van Sally Rooney is Fysiekliteratuur.

Vierdagen storm en keer op keer draai ik Adagio for Strings van Samuel Barber. Bloempotten rollen door de nauwe steegjes, zwaluwen blijven op hun nesten, het zand dringt gierend door de naden en kieren van de kozijnen. Met een ‘imploderende ik’ blijf ik in bed. Na Samuel Barber…, Gustav Mahler Death in Venice. Keihard. Onderwijl beukt de wind op de meters dikke muren van het huis. Een dijkdoorbraak zie ik al door mijn biologisch-oog gebeuren. De wind buiten ruikt fris als kikkers die kwaken. Koeien drijven met opgezwollen buiken voorbij. Ik kan niet beschrijven hoe fris de wind ruikt. In de verte, als de wind even gaat liggen, klinkt de tussen hoge rotsen ingeklemd de waterval. Dan swingt de wind weer langs de muren. Ergens slaat een deur hard dicht. Een schreeuw. In een flits denk ik terug aan al die romandeuren van Sally Rooney: ‘…vliegt de deur open. Ze hoort gekraak als hij tegen haar gezicht aan komt. Ze heeft een loopneus. Haar neus loopt echt heel snel.’ Of herinner ik het mij niet meer letterlijk? Ik heb een keer een bloedneus gehad. Een man gaf mij een kopstoot. Wat is het verschil tussen een lopende neus en een bloedneus?

Boek van Sally Rooney is fysiekliteratuur.

Een hond blaft, het geluid dwarrelt als een trein die dichtbij voorbij dendert. Bergen lijken op te schuiven, komen dichterbij het huis, de wolken wollen hoger en hoger. Wolken tuimelen over de randen van de bergen. Boomcactussen glimmen in de regen die minuten geleden gestopt is. Ik sluit het gordijn. De torenklok slaat onregelmatig twaalf uur. De wind ruikt zo fris en ik kan het maar niet beschrijven.

De wind die vroeger over de duin Hoge Hil van Domburg woei, windkracht 12 en een woedende zee bunkers naar de oppervlakte spoelde. Muren van wel twee meter dik beton. Bezittingen van Duitse soldaten uit de Tweede Wereldoorlog die naar buiten waste, dansend in het zeeschuim ten ondergingen tot ze nooit meer terugkwamen. Dingen die toch nog te vinden waren nam ik wel eens mee naar huis en verstopte die onder mijn bed. Ik vond een keer een afscheidsbrief opgerold in een loop van een roestige geweersloop. Maar hier tocht een frisse wind, als bloed in mijn hoofd, zo fris heb ik het nog nooit geroken. Ik ben dronken en sluit mijn ogen. Was ik maar een paard dan rook ik meer dan nu.

Alles komt met vlagen.