Boek Robert Kruzdlo

Schrijver Robert Kruzdlo New York 2018

Literair debuut van beeldend kunstenaar Robert Kruzdlo: TussenMens.

Later dit jaar zal de eerste roman van beeldend kunstenaar Robert Kruzdlo verschijnen onder de titel ‘TussenMens’ bij Uitgeverij TIC in Maastricht.

Robert Kruzdlo werd in 1949 geboren in New Jersey. Hij studeerde aan de Amsterdamse Rijksakademie van beeldende kunsten en exposeerde sinds die tijd in diverse landen, waaronder de VS, België, Frankrijk, Spanje en natuurlijk Nederland. Hij woont op dit moment in Spanje.

‘Het woordje Ik, is een woordje dat aangeeft waar, wat en wie ik ben? Zonder het woordje ik besta ik niet. Maar, …als TussenMens ben je meer dan een ik alleen. Als TussenMens, kunstenaar, moet hij zich over dit enge tussengebied uitspreken; een nog niet verstandelijk, pas net ontdekt en beangstigend tussengebied. Een kleine evolutie. ‘

TussenMens is gebaseerd op zijn levenservaringen en kennis van boeken, gesprekken met overgrootmoeder, oma en moeder en de geschiedenis van de kunsten. De kunsten horen thuis in het tussengebied van beleven en kennis. De kunstenaar moet daarover zijn verantwoording afleggen.

De roman is geschreven als een stream of consciousness, als een becoming of age-boek van een zelfdenkend, zelfscheppend en zelfstandig opererend individu. Met een eigen stijl, een eigen kijk en een eigen verhaal.

Wilt u meer weten over het boek of de auteur, neem dan contact op met Uitgeverij TIC, 043-3262414, of kijk op www.uitgeverijtic.nl

Koeien ogen

Het lijkt niet op een vette koe

Maar het is een magere koe

Hij herkauwt lucht, kost

Penshonger, botten

Gemakzucht bijeengehouden

Zak, is het kijken

Klotsoogig werelrond

Net als ik mensenmoe

@robertkruzdlo

Zeg niet dat ik niet gevoelig ben.

Schilderij Robert Kruzdlo 1995 Tobbe en de wet van Archimedes

Geen namen, datum of jaartallen in het dunboekje van een schrijver die zo dun is als een ?

Ik mijmer over zijn dunboekje: Mijn blik dwaalt naar binnen, die staat op oneindig en ik zie in mijn hoofd de herinneringen voorbijtrekken als een film. In het oneindige kijk ik met mijn biologisch oog naar een film. Filmblikken van herinneringen worden opengetrokken. Vreugde en verdriet: a smile and a tear. Uit het rag van mijn herinneringen geregen, komt mijn ziel, gevangen in mijn brein, tevoorschijn. Ik denk nooit wie ik moet zijn, onzichtbaar blijft die ik, nooit zal ik worden dat onzichtbaar verborgen blijft. Wat een poppenkast om te denken dat je iemand kunt worden, terwijl je al iemand bent. Ben gewoon wie je bent.

Er is lust en onlust dat het leven vult. Het leven is narcistisch en ondanks dat, egotistisch genoeg om voor een ander te zorgen. Je wordt pas gelukkig als er door het brein een homeostatische balans gevonden wordt.  

Er kwam een gevoel van onbehagen in mij op toen ik het dunboekje voor de derde keer las, geschreven door een schrijver zonder naam. De schrijver beschrijft zijn naamloze jeugd als een blonde, vrolijk, ondernemende kleuter die, zoals alle kleuters de wereld graag zien als een film. Op het einde van het boekje blijkt het geen leuke film te zijn: door bergen stresshormonen, moet de protagonist voortdurend op zijn hoede zijn en door een innerlijke aangeboren kracht en veerkracht te tonen, creatief met choreografie van beleefdheid, lukt het hem te overleven. Zijn moeder vertelt hem, zittend in de wastobbe, die tot de rand met warm water gevuld is, als hij nog maar net bewust is van zijn omgeving, over het alcoholisme van de buurman, de poppenspeler.

Even later wordt in het dunboekje zijn zusje overreden. (Sic) Aangereden dus. Hij had een voorgevoel. Thuis lopen de spanningen hoog op maar een ruif van liefde redt de situatie:… er was veel liefde bij ons thuis. Een lange rij kleine vogels trekt, in het park van het Rijksmuseum voorbij, er staat een statig hek rond een park. De buurman glazenwasser is weer eens dronken, delirium hoort de kleine jongen zijn moeder zeggen, hij is bang. Troost. Hij bezoekt de loodsen waar paarden in staan? Natuurlijk moet dat paardenboxen zijn. Ik ken de plek waarover hij schrijft: De Hollandsche Manege de oudste rijschool van Nederland, als kunstenaar heb ik daar tientallen tekeningen gemaakt in 1975

Het jongetje van AANGERAAKT trekt aan de jas van vader die zich in de kroeg om de hoek bedrinkt. Toch blijft hij dromen hoe fijn de dingen nog kunnen zijn. Warm en sfeervol. Op een nacht sluipen moeder, zusje en hij het huis uit. Hij heeft al zijn verdriet, pijn in zijn reiskoffertje gestopt. Ze trekken in bij opa en oma. Ruziënd komt vader verhaal halen, het loopt gelukkig met een sisser af.

Het jongetje luistert gesprekken af en ondanks dat hij niet alles kan afluisteren moeten hij en zijn zusje toch overleven. Elke dag houdt hij daarom zijn oren en ogen wijd open. Stiekem bespioneert hij de wereld. Dan wordt op een dag broer en zus gescheiden. Onrust, achterdocht, ze worden van hot naar haar gesleept. Maar toch, feest blijft het want er is schoolmelk en er zijn gymnastieklessen. Toeven…, ja het staat er, toeven van veilige plekken, zijn er nog steeds. Het is wachten of uitstellen van het wachten op… .

In het dunboekje staat heel veel ‘me en mij.’ (In plaats van ik.) Ik bedoel zo lees ik het allemaal, een ander zal er misschien een traan om laten? Hij eet per dag drie keer vla, een tante snijdt de grote Duitse broden boterhammen. Sic. Van grote plakken Duits brood maak je boterhammen en dat wil bleeksnuitje wel. Soms heeft hij een bleekneusje* niet alleen van verdriet en wordt hij gepokt, gemazeld, gemangeld, beschimpt, belasterd, voor schut gezet en zo kan ik nog een tijdje door gaan. Hij trapt op de fiets zo hard hij kan al zijn tranen eruit.

Hop, hij en zijn worden naar het (kinder)internaat gebracht. Hij heeft een engelenstem, zegt de pastoor en een engeltje op zijn schouder zegt moeder. Er wordt gebeden, God aangeroepen en de heilige communie gedaan. Vader blijkt een boef te zijn, hij steelt het horloge van zijn zoon eerste communie. Zus en broer knappen gelukkig weer op. Schoolresultaten zijn slecht, toch voelt hij, de schrijver van dit dunboekje, zich veilig op het internaat: dat komt door de macht van de aarde, schrijft hij op bladzijde 42. Moeder en vader zijn al die tijd vaak de afwezigen. Ja, je gelooft het niet, hij is ineens weer een kleurrijk middelpunt aan de hand van zijn beide grootouders.

Terug op school wordt door een complex aan imago het leven gered door creativiteit: hij schrijft samen met twee klasgenoten een eindtoneelstuk. Klas 6 dus. Als hij zeeman wil worden, moet hij zijn zegeningen weer gaan tellen. Het loopt op niets uit, ook om door de hand van God te worden aangeraakt gebeurt niet. Einde dunboekje. Nergens een datum of jaargetal.

Hortend zijn het allemaal narcistische beschrijvingen, ondanks de ellende van voortdurend op je hoede moeten zijn, schijngevechten leveren, zelfredzaamheid, een klotsende zee op aarde. Wat de macht van de aarde is lees je nergens. Misschien de hardheid en zachtheid ineen?

Ik wil mijn geld terug. Dit boekje kun je niet op deze manier op de markt brengen. Ik voel me als lezer belazerd. Gelukkig, zo schrijft hij op de laatste bladzijde, heeft de ‘me en mij’ veel verzonnen en ik weet zeker dat hij zijn geluk heeft geconsolideerd? Er is een grote ruif aan geluk… .

Omdat ik de schrijver toevallig ken en eigenlijk veel meer van hem weet dan hij ooit in een ander dunboekje kwijt zou kunnen, voeg ik dit nog toe: In al de ellende die hij beschrijft voelde hij zich in hoog eigen persoon op een of ander manier altijd goed. Zo heb ik hem X ook gekend. Of hij zich structureel nu mínder of méér voelde dan een ander, elk tekort of te veel was ego strelend. Ik weet er alles van, ook ik ben een narcist en balanceer tussen de diepe dalen en hoge pieken op een slap koord. Ook ik val niet te pletter op aarde.

Nu kan de schrijver pas echt beginnen te leven, want het leven alleen door een kijkgaatje bekijken is ook niet alles. Mijn tong jeukt om hem dit te vertellen maar ja…, van die zelfgenoegzame ellende kan ik het niet winnen, ook niet met een goed gesprek? Ik ben geen Hamlet.

*Bleekneusje was een term die tussen 1883 en 1970 gebruikt werd voor een kind dat door de gevolgen van armoede, ondervoeding, tuberculose en andere gezondheidsproblemen in een zogenaamde vakantie- of gezondheidskolonie werd gehuisvest om lichamelijk aan te sterken en ook psychische meer op krachten te komen. Wikipedia.

@robertkruzdlo

AANGERAAKT

Aan en uitgeraakt.

De wind snerpt door de kieren van het hout. Op het gasfornuis begint de waterketel fel te fluiten, de dop schiet van de uitschenkopening. We schrikken. De wastobbe, een ovale ouderwetse teil, wordt met heet water bijgevuld, tot het water in de wastobbe lauwwarm is: niet tot de rand, volgens de wet van Archimedes, want anders klotst het badwater over de vloer, op aarde. Voor de zekerheid wordt er een handdoek voor de wastobbe gelegd. Eerst gaat mijn zus, dan mijn broertje en dan pas ik de wastobbe in. Als laatste was ik me in grauwig oud zeepsop. Buiten worden we afgespoeld met helder water uit de regenton. De zon aan een wolkenloze blauwe hemel schittert tussen de bomen, de bladeren trillen door een warme bries die van de heuvels rolt. Niet dat dit een intiem moment is, waar ik later intens naar terugverlang, maar ik kende in die tijd nog geen schaamte: om de volgorde, en, om mijn blootheid. Alleen, dat mijn zus als eerste aan de beurt was en ik als laatste mijn billen zelf moest wassen maakte mij op een gegeven moment apathisch voor de volgende wasbeurten. Wie zacht met een washand over mijn rug waste was natuurlijk overgrootmoeder, soms moeder, maar die wreef ruw, al rokend, groene zeep door mijn haar en wierp na eerst een nieuwe sigaret in haar mond te stoppen, ongeduldig de handdoek naar mij toe. Nee, een lach die op haar lippen weerspiegeld kon worden, kon er niet van af? Een tijd van wind, vuur, water en aarde.

Dit zijn de oudste…, door herinneringen aangeraakt, belevingen.

Deze tekst is eigenlijk een pastische van het dunboekje Aangeraakt

@robertkruzdlo

Filosofen geven nooit antwoord.

Herontwerp Robert Kruzdlo

Onevenredigheid in gelijktijdigheid.

De Franse filosoof Maurice Blanchot: ‘Wat is dan het verschil tussen twee levens, waarbij de een liefde zoekt die hem ontzegd wordt en de ander, als door een wonder begenadigd, voor de liefde geschapen is, alles van de liefde weet, hen oordeelt en veroordeelt die in hun poging lief te hebben mislukken, maar, van haar kant, zich alleen aanbiedt om (voor geld) bemind te worden, zonder ooit een teken te geven van haar eigen vermogen om van de passiviteit naar de grenzeloze passie te gaan? Misschien eindigt door deze niet elkaars spiegelbeeld, deze ongelijkheid de nasporing van de lezer, omdat ze ook de auteur ontgaat: ondoorgrondelijke mysterie.

De auteur is Marguerite Duras 1914 – 1996. Haar boek De ziekte van de dood, Parijs novelle 1982.  Maurice Blanchot zegt dat de schrijfster het verschil niet kan opheffen, zelfs de liefde die zich laat betalen stokt. Ik blader terug in het boek.

…Zij zegt: De ziekte heeft u steeds meer in haar greep, ze is al in uw ogen, in uw stem.

…U vraagt hoe het gevoel van liefhebben zou kunnen ontstaan. (…) Zij zegt: Nooit uit een wil.

…In het donker lijkt het u plotseling of u het waanzinnig geschreeuw van de hongerige meeuwen nooit gehoord heeft.

Toen ik deze novelle las moest ik aan vrouw L. denken waarmee ik jaren samenwoonde zonder te delen wie en wat ze was. Een vrouw die in twee lichamen leefde. Afhankelijk hoe haar benen lagen of stonden. Te veel serotonine vagina, een tabernakel van vlees of opgedroogd, aards verlangend naar nieuwe vriendschappen. In haar ogen kon je de biologische verschillen zien die haar in de greep hadden. In haar stem kon je horen in welke huid ze zat. Niet uit eigener wil. Een andere wil die met haar deed wat het wilde en als het niet wilde gebeurde er niets. Liefde kon niet uit een van die willen ontstaan, hooguit vriendschap. En die schreeuw in haar? Die hoor ik nog. Verloren in het zwart. Ook zij zou de situatie niet kunnen oplossen. U weet waarom ik dit zeg. Jullie hebben de ziekte van de dood: Inmiddels heeft u die liefde kunnen leven op de enige wijze die voor u mogelijk was, haar verliezend vóór zij er was. Het blijft een mysterie.

La maladie de la mort. Minuit (Parijs 1982)

Vertaling: 1984 stichting Hölderlin ISBN 90 71044 04 1      

@robertkruzdlo 

Boek van Sally Rooney is Fysiekliteratuur.

Deuren ingeblikt literatuur

Robert Kruzdlo 8 mei 2019 Boek van Sally Rooney is Fysiekliteratuur.

Vierdagen storm en keer op keer draai ik Adagio for Strings van Samuel Barber. Bloempotten rollen door de nauwe steegjes, zwaluwen blijven op hun nesten, het zand dringt gierend door de naden en kieren van de kozijnen. Met een ‘imploderende ik’ blijf ik in bed. Na Samuel Barber…, Gustav Mahler Death in Venice. Keihard. Onderwijl beukt de wind op de meters dikke muren van het huis. Een dijkdoorbraak zie ik al door mijn biologisch-oog gebeuren. De wind buiten ruikt fris als kikkers die kwaken. Koeien drijven met opgezwollen buiken voorbij. Ik kan niet beschrijven hoe fris de wind ruikt. In de verte, als de wind even gaat liggen, klinkt de tussen hoge rotsen ingeklemd de waterval. Dan swingt de wind weer langs de muren. Ergens slaat een deur hard dicht. Een schreeuw. In een flits denk ik terug aan al die romandeuren van Sally Rooney: ‘…vliegt de deur open. Ze hoort gekraak als hij tegen haar gezicht aan komt. Ze heeft een loopneus. Haar neus loopt echt heel snel.’ Of herinner ik het mij niet meer letterlijk? Ik heb een keer een bloedneus gehad. Een man gaf mij een kopstoot. Wat is het verschil tussen een lopende neus en een bloedneus?

Boek van Sally Rooney is fysiekliteratuur.

Een hond blaft, het geluid dwarrelt als een trein die dichtbij voorbij dendert. Bergen lijken op te schuiven, komen dichterbij het huis, de wolken wollen hoger en hoger. Wolken tuimelen over de randen van de bergen. Boomcactussen glimmen in de regen die minuten geleden gestopt is. Ik sluit het gordijn. De torenklok slaat onregelmatig twaalf uur. De wind ruikt zo fris en ik kan het maar niet beschrijven.

De wind die vroeger over de duin Hoge Hil van Domburg woei, windkracht 12 en een woedende zee bunkers naar de oppervlakte spoelde. Muren van wel twee meter dik beton. Bezittingen van Duitse soldaten uit de Tweede Wereldoorlog die naar buiten waste, dansend in het zeeschuim ten ondergingen tot ze nooit meer terugkwamen. Dingen die toch nog te vinden waren nam ik wel eens mee naar huis en verstopte die onder mijn bed. Ik vond een keer een afscheidsbrief opgerold in een loop van een roestige geweersloop. Maar hier tocht een frisse wind, als bloed in mijn hoofd, zo fris heb ik het nog nooit geroken. Ik ben dronken en sluit mijn ogen. Was ik maar een paard dan rook ik meer dan nu.

Alles komt met vlagen.

Joke J. Hermsen en de ziel

Fokke Obbema Volkskrant 5 mei 2019 interviewt filosoof zielgelovige natuur eudaimonia Joke Hermsen: ‘De ziel bestaat in onze taal en in onze ervaring.’

Joke vindt beleven belangrijker dan het wetenschappelijk feit dat er nergens in het brein een ziel te vinden is.


Instemmend citeert ze in het interview de 58-jarige Hermsen de Poolse dichteres Szymborska, die over de ziel dichtte:
‘Aan een op de duizend gesprekken/neemt ze deel/maar zelfs dat is niet zeker,/want ze zwijgt liever’


Waarom zou de ziel zwijgen? Ik denk ook dat dit gesprek voor de ziel niet te behappen is. De ziel zinkt diep weg. Zij laat een ‘verstandelijke leegte’ achter die door de filosoof Hermsen met tarbernakel orakels en bijeengepunnikte filootjes gereanimeerd wordt. Waarom zo moeilijk doen als alles gewoon beleving is.


Filosofie is geen wetenschap.

@robertkruzdlo

Gedicht Walter Joseph Zlo

Fotograaf onbekend

0

alles gezegd

helder in taal

komt van de wereld

toch niets terecht

                                               vallen en opstaan

onvertelbaarheid

absoluut falen

belangrijk ongetwijfeld

onzin stumpert voort


woord voor woord omzwachteld

                                              zinvol o die pijn

Beste Robert Kruzdlo

Robert Kruzdlo Maastricht 1955

Brief uitgeverij Stof & Slijk mevrouw Blanc Witlof 25 april 2019 Amsterdeem

Geachte meneer Robert Kruzdlo,

Nog buiten het bereik van woorden begint in New Jersey jouw geschiedenis. Zonder vader vertrekken moeder, jij en nanny Vivia met de Holland-Amerika Lijn naar Nederland. De aarde is nog plat. Jouw boek begint in 1951 en eindigt in de zomer van 2018 in Amerika. Die zomer heb je je huis ingericht om een groep oude bekenden te ontvangen; een lange tafel gedekt, om samen met de nog levenden uit je jeugd te dineren. Nog één keer, misschien voor de laatste keer, zal ieder zijn verhaal komen vertellen. In zijn eigen woorden.  

Is het uitgeven van dit manuscript, deze persoonlijke geschiedenis, niet hoogdravend? Een megalomane onderneming die sterk het pendant vindt, in een vertederende onzekerheid? Je durft jezelf bloot te geven, waardoor allerlei onvolkomenheden pijnlijk zichtbaar worden. Je maakt je kwetsbaar. Ben je er zeker van dat alles zo gegaan is of vul je hier en daar de gaten op met lapwerk? De herinneringen aan vroeger zijn onbetrouwbaar en toch zijn ze echt. Er komt veel in voor waardoor je je kunt afvragen hoe dergelijke woorden en gedachten in het brein van een zo jong mens kunnen opkomen. Misschien komen ze ook niet in een hoofd van volwassene voor? En een schrijver als jij: blijft dicht bij het gevoel van het kind dat je beschrijft. Soms lijkt het, onder het lezen, alsof je de stoel onder je kont niet voelt. Los van de aarde weet je mij diep te raken. Hoe dat komt weet ik niet. Ik droom vaak dat ik zweef. 

Alle karakters die in je boek voorbijkomen zijn zich bewust van jouw misère in die tijd. De overlevenden kunnen zich veel herinneren, maar ook zullen er lezers zijn die hun spiegelbeeld er niet in herkennen. Alleen jij kan dit boek schrijven; Limburgs realisme, bronsgroen en zonder zedenlessen schrijf je over personen die nagenoeg echt hebben moeten bestaan, of anders gezegd: het zijn fantasievolle personen die onmogelijk niet hebben kunnen bestaan. Jouw jeugd, dat leven was niet makkelijk. Nu wacht je op hen, in je huis in Amerika.

Voorttuimelend heb je alles vergaard wat nodig was om te laten zien hoe in het bronsgroen eikenhout het nachtegaaltje zong. Niemand hoeft te geloven wie je werkelijk was. Fictie en non-fictie lopen door elkaar. Alles heeft de onderliggende kracht, de drift van een vernietigend autobiografisch geheugen. Je bent overgeleverd aan de genade van je brein. Jouw verhaal wordt verteld in verschillende perspectieven, lijnen en heteroniemen die stumperen in tijd; ik ben benieuwd hoe het afloopt met de groep oude bekenden die je in je huis in New York hebt uitgenodigd. Natuurlijk blijf je in je boek, tot het einde toe, zo eerlijk mogelijk de waarheid zoeken. Na jaren twijfelen ga je het toch publiceren zodat het nog tijdens je leven in jouw handen terechtkomt. Schrijven was een experiment om te genezen, te ontgiften en de wereld te vertellen wat er op die verschillende stukjes aarde allemaal gebeurde.

Groet,

Blanc Witlof

@robert kruzdlo